MET DE LOEP OP LANCASHIRE. KATOEN EN SAMENLEVING 1750-1850

Geplaatst op 7 januari 2005 door Ernst Corbeek
De Industriële Revolutie, was een snelle, radicale omwenteling naar een industriële samenleving waarin de techniek een belangrijke rol speelde (Engels, Toynbee). Of misschien toch een geleidelijke ontwikkeling vanaf de 16e eeuw, niet puur economisch/technisch, maar breed maatschappelijk, meer continuïteit en minder discontinuïteit? Hij begon in Engeland, Europese landen volgden en hij duurde tot ver in de 20ste eeuw.

Historisch kader

De Industriële Revolutie, was een snelle, radicale omwenteling naar een industriële samenleving waarin de techniek een belangrijke rol speelde (Engels, Toynbee). Of misschien toch een geleidelijke ontwikkeling vanaf de 16e eeuw, niet puur economisch/technisch, maar breed maatschappelijk, meer continuïteit en minder discontinuïteit? Hij begon in Engeland, Europese landen volgden en hij duurde tot ver in de 20ste eeuw.

In Engeland was de textielnijverheid gebaseerd op wol (uit dezelfde streek), maar ook op linnen en zijde (geïmporteerd). Katoen, bombazijn (half linnen, half katoen), kwam al vanaf de 17e eeuw uit het Midden-Oosten. In de 18e eeuw werd Engeland een koloniale mogendheid middels de Oost-Indische Compagnie (1600-1858), die uit het verre Oosten specerijen haalde, en later ook katoen (afgeleid van Calicut). Het werd populair bij de maatschappelijke bovenlaag.
Voordelen van katoen boven wol:
- het was goedkoop
- beter absorberend
- gunstige invloed op de hygiëne (het kon gewassen worden)
- gunstig dus voor overlevingskansen van zieken

Doordat de Compagnie sitsen (met de hand gedecoreerde katoenen stoffen) naar Engeland bracht, verspreidde het zich ook meer onder de bevolking. Autochtone textielproducenten zagen zich bedreigd en in 1721 kwam de Caligo-act, waarbij de verkoop van Indiase stoffen in Engeland verboden werd, overigens zonder resultaat.

Waarom snelle groei van katoenindustrie in Engeland en concentratie in Lancashire?
- snelle bevolkingsgroei vanaf 1750 te danken aan een stijgend geboortecijfer en een afnemend sterftecijfer. De groei was niet het gevolg van de beginnende industrialisatie, maar een ontwikkeling op het platteland. Daling van het sterftecijfer kon niet alleen komen door verbeteringen in de medische zorg (trage ontwikkeling), maar wel door meer en verbeterde voedselproductie: betere weerstand van de bevolking
- verhoging van de landbouwproductiviteit: farmers (voor de markt producerende boeren) kwamen meer en meer in de plaats voor de peasants (zelfverzorgende boeren). Er waren ook pachters die werkten op de grond van grootgrondbezitters. Vanaf de 18e eeuw werd het open-field systeem (drieslagstelsel) met common fields, vervangen door de enclosure-beweging (vierslagstelsel). Er vond een privatisering in de landbouw plaats, herverkaveling en grotere stukken grond die efficiënter beheer mogelijk maakten. Gevolg: verlies van werkgelegenheid voor keuterboeren en landarbeiders die naar de stad trokken. In de 18e eeuw (vooral 1700-1750) was er sprake van een echte agrarische revolutie.
Waardoor stijging agrarische productie?
- ontginnen woeste gronden en vergroting van opbrengst door de enclosures.
- de farmer ging zich specialiseren.
Verbetering van productiemethoden: het vierslagstelsel zonder braakliggen zorgde voor hogere productie; naast graan werd ook bijv. klaver verbouwd (voor koeien, mest); verbetering van fokmethodes; onkruidbestrijding en betere werktuigen. In het Zuidwesten van Lancashire was vruchtbare landbouwgrond, daar zou de katoenindustrie veel minder een rol spelen.
- verbetering van de infrastructuur: vervoer in Engeland over water vanaf 1760 door een flinke uitbreiding van het kanalennet. Vanaf 1830 kwamen daar ook de spoorwegen bij, maar het vervoer over water bleef concurreren (goedkoper). Financiering van de infrastructuur bleef niet beperkt tot individuën, maar leidde tot het oprichten van maatschappijen met aandelen en dus ook beleggende spaarders.
 
{mospagebreak}
1. Huisnijverheid en industrie

Einde middeleeuwen was er vooral zelfvoorzienende landbouw. In de nijverheid werkte de ambachtsman met gezellen en leerlingen in een werkplaats (hoogstens 10 personen). Alles stond onder controle van de gilden. Arbeidsverhoudingen waren patriarchaal. Gilden werden echte ambachtsmonopolies: was je er geen lid van dan kon je ook je beroep niet uitoefenen.
- voordeel voor de consument: kwaliteit stond borg
- nadeel voor de consument: beperkt aanbod en hoge prijzen
Massaproductie en technische verbeteringen waren nauwelijks mogelijk.
De rol van de gilden werd vanaf het eind van de Middeleeuwen beperkt door de 1. manufactuur en 2. huisnijverheid.

de manufactuur:
Is een werkplaats waar onder leiding van een opzichter grote groepen mensen werken. Er werd gewerkt voor een loon en er was al sprake van arbeidsdeling, maar er werd nog nauwelijks gewerkt met machines.

huisnijverheid:
Naast de manufactuur ontstond op het platteland de huisnijverheid, ook wel putting-out system genoemd. Centraal hierin stond de koopman-ondernemer die het materiaal bij mensen thuis bracht en na de bewerking weer ophaalde. Op het platteland werd dit belangrijk omdat de bevolking groeide en er meer werkgelegenheid nodig was.
De textielnijverheid werd in lancashire zo belangrijk omdat:
a) het putting-out systeem hier al vroeg sterk ontwikkeld was. De boeren hadden een extra bron van inkomsten nodig en hadden kennis omdat ze zelf al weefden en sponnen. Vaak werkte het hele gezin mee. (hierdoor: lagere lonen dan in de stad)
b) nabijheid van de aanvoerhaven Liverpool en vochtig klimaat (belangrijk voor katoenverwerking)
c) de Calico-Act en de Weavers-acts golden hier niet.
de Callico-Act verbood de verkoop van Indiase stoffen (1721) en de Weavers-acts beperkten het maximaal aantal leerlingen van een meesterwerver om de eigen beroepsgroep te verdedigen. Gilden speelden in Lancashire een minder belangrijke rol

De koopman was in het hele systeem de belangrijkste persoon. Hij zorgde voor materiaal, huurde vaak een werkplaats, coördineerde de productie en zorgde voor de afzet. Vaak verzorgde hij ook kredieten. In de 18e eeuw versterkte de koopman zijn rol en greep op de thuiswerkers o.a. gestimuleerd door de toename van de binnenlandse en buitenlandse vraag. Ze probeerden ook de zgn. vrije tijd (het werken tijdens de oogst of op het land) te beperken

Technische ontwikkelingen
Voor het vervaardigen van textiel zijn spinnen en weven belangrijk. De productiviteit van spinnen lag behoorlijk lager dan die van weven. Technische vernieuwingen moesten dus komen bij het spinnen (meeste arbeidskrachten). Nieuwe technieken waren onder andere:
- schietspoel van John Kay ook wel flying shuttle genoemd. een breder doek kon door zijn uitvinding door één wever ipv. twee gemaakt worden. Het was een bedreiging voor veel wevers van wie dan ook acties en protesten kwamen.
- James Hargreaves ontwierp voor het spinnen met de spinning jenny (engine). Dit was nodig omdat door het verbeterde weven er ook meer vraag naar gesponnen draden. Het was een wiel dat aan het eind een aantal spinspillen in beweging kon brengen. Ook hier protest van spinners. Zowel Kay als Hargreaves konden nauwelijks profiteren van hun uitvindingen.
- Richard Arkwright kwam met een machine waarmee de vezels niet meer met de hand werden gerekt, maar door achter elkaar geplaatste rollers geleid (productiviteit 200x zoveel als een spinnewiel. Zijn uitvinding heette het waterframe omdat hij met water werd aangedreven. Zijn patent erop hield verspreiding van het idee tegen en werd uiteindelijk vernietigd.
- Samuel Crompton kwam met zijn spinning mule waarin hij de principes van de spinning Jenny en het waterframe. Hiermee konden ook minder groffe, dunnere draden geproduceerd worden.


Van werkplaats naar fabriek
Het waterframe was duidelijk bedoeld voor fabrieksgebruik. Niet mankracht, maar waterkracht werd belangrijker en concentratie van de energietoevoer was niet geschikt voor huisindustrie. Er was dus een andere vorm nodig van productie, de fabrieksmatige. Arkwright begon in Cromford met een katoenspinnerij, die mill werd genoemd (machines, aangedreven door een groot waterrad). De spinnerij lag niet in Lancashire zelf, dus waren ook geen acties van boze thuiswerkers te verwachten. De arbeiders werden afhankelijk van het waterrad en konden niet meer zelf het begin van hun arbeidstijd bepalen. Er ontwikkelde zich een echte stad voor arbeiders en Arkwright stopte er veel geld en energie in. Spinnen werd vooral gedaan door vrouwen en kinderen, weven door mannen. Als een feodale heer heerste Arkwright over zijn fabriek. Later kwamen er meer fabrieken, ook in Lancashire (1779). Het ging slap met zaken door de lauwe handel (veroorzaakt door het begin van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog). De textielarbeiders vernietigden daar de Mill, maar niet elders. Later moest Arkwright ook zijn patenten van fabrieken prijsgeven.

De fabrieken moesten aan riviertjes (stromend water) liggen. Het was een natuurkracht die voor de aandrijving van de machines zorgde. De verbetering van de stoommachine door James Watt bracht uitkomst. Door stoom aangedreven mills konden bijna overal gevestigd worden, niet alleen nieuwe vestigen bij rivieren.

Waarom werd de huisnijverheid vervangen door fabrieksmatige productie?
1) de ontwikkeling van de techniek speelde een belangrijke rol (zie hierboven).
2) wens om arbeidskrachten optimaal te benutten ( je hebt de arbeiders beter onder controle dan de thuiswerkers en kunt ook fraude tegengaan. Dit lijkt toch meer een GEVOLG dan een OORZAAK van de komst van fabrieken te zijn.
3) wens om efficiency van het produktieproces te verbeteren. (bijv. vermindering van transportkosten en minder afhankelijkheid van tussenpersonen) Maar tot ver in de 19e eeuw bleef thuisnijverheid nog van groot belang in lancashire.

{mospagebreak}
2. Veranderend platteland
Door de technische ontwikkelingen groeide de katoenindustrie spectaculair in Lancashire. Zowel in steden als op het platteland kwamen enorm veel mills. Wat voor gevolgen had dit?
vb. Mill van Henry Ashworth (geeft goed verschil met steden aan). Bij Bolton werd de fabriek gevestigd aan de oever van een rivier, maar ook bij steenkoolvelden in de buurt, die later voor stoom gebruikt konden worden. Agrarische nevenactiviteiten werden in deze mill stopgezet. Er waren 300 à 400 arbeiders per mill en dat lag duidelijk boven het regionale gemiddelde (135). Naast waterrad kwam er voor droge zomers ook een stoommachine.

Vóór de komst van het mille was Lancashire een echt plattelandsgebied met wat thuisnijverheid. Voor zijn personeel bouwde Short zogenaamde cottages, eerst 9, later deugdelijke stenen cottages met allerlei faciliteiten erbij. De cottages werden gebouwd in 4 kwaliteitsklassen en waren vooral van eigenbelang. Tevens was er sprake van paternalisme (ook in Nederland): er moest een verheffing komen van de arbeidende klasse, maar dan wel volgens de normen van de gegoede burgerij. (bijv. Arbeiders moesten sober leven, hard werken, naar de kerk en kunnen lezen & schrijven). Een andere, op paternalisme gebaseerde mill, was Barok bridge. Met een door de arbeiders zelf gerunde coöperatieve winkel. Dit kreeg wereldwijd niet veel navolging, een vb. in Nederland is Voorplein (bij Weert). De inwoneraantallen namen wel toe, maar er vond geen grootschalige verstedelijking plaats.

Wevers waren voorhoede van de arbeidersklasse: ervaring was nodig en grote investeringen. In het begin werd bij de uitbreiding van de productie méér gebruik gemaakt van thuiswevers, maar op den duur ging dat teveel tijd kosten. In de 19e eeuw gingen langzaam de gouden tijden voor handwevers achteruit en won de power-loom(stoomweefgetouw) en daardoor wonnen de fabriekswevers aan invloed.
Waarom hielden de handwevers het dan toch nog lang vol?
- technische onvolmaaktheden van de eerste power-looms
- ze waren in het streven van de ondernemer een goedkope buffer: in tijden van drukte werd een beroep op ze gedaan en in tijden van economische tegenslag werden ze het eerst aan de kant geschoven.

In de jaren ’20 van de 19e eeuw kregen de handwevers het zwaar te verduren. Er was extreme armoede en daartussen enkele rijken met weinig actie van de autoriteiten. Loonsverlagingen leidden wel tot acties van de handwevers. Een geweldsuitbarsting leidde tot aandacht van het parlement (stuur ze naar de koloniën: gebeurde niet) en parlementaire enquêtes in de jaren ’30 van de 19e eeuw: het bleek dat ook de fabriekswevers het niet bepaald goed hadden!

{mospagebreak}
3. Het leven in de steden
In de 18e eeuw verdubbelde de Britse bevolking. I.t.t. 1700 waren er in 1800 ook veel gebieden in het Noorden van Engeland verstedelijkt. De groei in Lancashire was meer dan gemiddeld en het werd het meest verstedelijkte gebied. In het begin vond productie nog plaats op het platteland (opener dan de steden), men bleef nog in de buurt van grondstoffen of energiebronnen. Maar er kwam een ongekende urbanisatie op gang.
Wat waren gevolgen van deze snelle groei van de steden?
- gezondheidstoestand: Het aantal sterfgevallen lag veel hoger dan op het platteland (er werd wel gesproken van urban graveyards. Zuigelingen en kindersterfte waren in de 19e eeuw heel erg hoog, in de grotere steden nog erger dan in middelgrote steden. Kinderarbeid bestond op grote schaal. Onder de arbeiders was er een enorm alcoholgebruik.

- samenstelling van de bevolking: Veel mensen stierven in de steden door besmettelijke ziekten. De groei van de bevolking kwam voor een groot deel door de komst van migranten, voor een groot deel uit de directe omgeving van de stad. Een opvallende groep waren de Ieren, die in allerlei opzichten verschilden met de rest van het koninkrijk. Er was sprake van absentisme (grootgrondbezitters woonden elders), onder de kleine boeren sprake van grote armoede. Ze waren vooral afhankelijk van de aardappelteelt. N.a.v. de grote aardappelmisoogsten halverwege de 19e eeuw, kwamen veel Ieren naar Lancashire waar ze in laag aanzien stonden.
- woonomstandigheden: Op grote schaal werden er rijtjes arbeiderswoningen gebouwd door de ondernemers(vanaf de straat in drie rijen, de straatkant was nog het beste). Er ontstonden ook drie huurklassen. Er waren kelders als woningen, 1 toilet voor bijv 100 personen, zeer vochtige en slecht geventileerde woningen, soms 7 of 8 personen in 1 slaapkamer.
- Er werd dus zo goedkoop mogelijk gebouw, het was immers maar voor de arbeiders.
- ramen werden als luxe geacht en hierop werd de belasting gebaseerd
- Vaak op slecht en goedkoop gebouwd omdat na de pacht de grond en alles wat erop stond weer terugviel aan de grondeigenaar.

Er was sprake van overbevolking in de arbeiderswoningen. Vaak meerdere huishoudens per woning. Tijdgenoten (geen arbeiders dus!!) waren bang dat het daar dan zedelijk ook niet zo goed zou toegaan.
- invloed op het milieu: slecht, de artsen constateerden een verband tussen slechte omstandigheden en het uitbreken van epidemische ziekten. Er werd zo dicht mogelijk gebouwd bij de fabriek, er was geen waterleiding, riolering, straatverlichting, afvalverwijdering of verharding van straten en wegen. Vuilnishopen lagen soms midden in woonwijken. Vaak werd de vuilnis door de arbeiders zelf aan varkens op de binnenplaatsen van de woonwijken gegeven: de lucht werd verziekt. En er werd onbeperkt afval in de rivieren gestort. Bodem en oppervlaktewatervervuiling dus! Maar ook luchtverontreiniging: arbeiders ondervonden hier 24 uur per dag de nadelige gevolgen van (huisvesting bij de fabrieken!!)
gevolgen:
- uitbarstingen van grote epidemieën zoals bijv. cholera
- elite trok weg om aan de rand van de stad of buiten de stand te gaan wonen . Daar werd een burgerlijk ideaal vormgegeven (welstand en klassenbewustzijn)
- Er kwam door dit alles een sociale scheiding tot stand: afzondering van verschillende sociale klassen in aparte woonwijken
- slechts bescheiden wetgeving (visie: de staat is een nachtwaker, alleen voor uiterste nood. Begin wetgeving:
- Public Health Act (1835): gemeenten kregen het recht om zelf de openbare gezondheid te regelen (Er kwam zgn. boards of Health, maar functioneerden in de praktijk vaak slecht)
- Politiewet (1835), in gemeenten ging het langzaam, in steden kon de politiemacht effectief gebruikt worden tegen vormen van sociale onrust

{mospagebreak}
4. Lancashire, Katoen en de Wereld
In de Middeleeuwen was Engeland nog niet echt een zeevarende mogendheid. Gestimuleerd door het koningshuis groeide de handelsvloot in de 16e en 17e eeuw, was de Britse handelsvloot in de 18e eeuw de grootste ter wereld en Groot-Brittannië in de 19e eeuw het machtigste land ter wereld. Het werd een koloniaal imperium waarbij moederland en koloniën wederzijds van elkaar afhankelijk werden. Rond 1850 was Engeland de grootste industrieproducent, maar speelde ook de hoofdrol op het gebied van handel en financiële dienstverlening. (Londen, financieel centrum van de wereld, het pond munteenheid van de internationale handel).

Katoen en de Engelse economie
De economische verandering tijdens de Industriële Revolutie in Lancashire kwam voornamelijk door de snelle groei van de katoenindustrie.
- andere textielsectoren kregen grote klappen (bijv. wollen stoffen)
- wevers waren bijna overal de grootste beroepsgroep
- Er kwamen grote bedrijven (mills), die vaak verticaal geïntegreerd waren: er werd zowel gesponnen als geweven
Maar er was niet alleen een groei van de katoenindustrie
- Er was ook een sterke toename van steenkoolwinning (mijnbouw)
- De katoenindustrie veroorzaakte ook een grote groei van de ijzerindustrie
- Minder mensen in de landbouw, maar daar ging het wel goed mee
- de dienstensector was belangrijk (Liverpool belangrijk handels- en dienstverlenend centrum)
dit kwam niet alleen door de katoen:
- al vóór 1800 was Liverpool een stapelmarkt van betekenis
- na afschaffing van slavenhandel (1807) werd katoen belangrijk
- er werd graan aangevoerd voor een snel groeiende bevolking
- kanalen zorgden voor een snelle doorvoer
- afzet van industriële eindproducten naar de koloniën
- Manchester en Liverpool kregen beide een katoenbeurs wat betekende dat men steeds meer afhankelijk werd van de buitenlandse handel. De beurs werd ook een forum voor publieke beïnvloeding
- ontwikkeling van de katoenindustrie was geen autonoom proces. Er was een wisselwerking
met de rest van Engeland en de rest van de wereld. o.a. n.a.v. de Poor Law werden veel armen aangemoedigd om naar Lancashire te gaan. Hier beïnvloedde Loden dus Lancashire. Financiering van ondernemingen gebeurde in toenemende mate via bankinstellingen, die in nauwe relatie stonden met de Londense bankiershuizen

Katoen en de wereldmarkt
Al vanaf het begin was de katoennijverheid afhankelijk van import. Waar dat vandaan kwam wisselde wel
- Eind 18e/begin 19e eeuw kwam het uit Brits West-Indië. Dit zakte in 1820 in elkaar. Waarom?
- grond raakte uitgeput
- men ging de voorkeur geven aan het verbouwen van suikerriet
- het was moeilijk om van het daar verbouwde katoenpluis fijn garen te spinnen
- Daarna werden het de zuidelijke staten van de VS: landeigenaren aangemoedigd door hoge prijzen. De uitvinding van de cotton gin van Eli Whitney speelde hierin een belangrijke rol: katoenzaden konden veel gemakkelijker verwijderd worden en er kwam een snelle expansie van katoenplantages in het Zuiden van de VS. Dit veroorzaakte weer een forse daling van de prijs voor ruwe katoen
- ook voor afzet van de eindproducten was men afhankelijk van het buitenland (export). Dit aandeel was lange tijd veel groter dan de binnenlandse afzet. Eerst ging het naar Europa, Amerika en West-Indië, toen daar een eigen industrie van de grond kwam ging men vooral exporteren naar India en maakte daar de eigen Indiase huisindustrie kapot. In het begin waren het vooral echte eindproducten, maar later ook halffabrikaten zoals garen.

{mospagebreak}
5. Arbeidsomstandigheden
In de discussie hierover bestaat een pessimistische stroming (o.a. Engels later Hobsbawn) die zich vooral op kwalitatieve geschreven bronnen baseerden en een optimistische stroming op kwantitatieve bronnen. De discussie hierover noemen we standard of living debate: lokaal onderzoek toont aan dat er veel regionale verschillen waren en dit debat toont ook maar weer eens aan dat geschiedenis een discussie zonder eind is.
Hier enkele opmerkingen over
- arbeidsmarkt
- arbeidsomstandigheden
- arbeidsverhoudingen
- bestaanzekerheid
Het is duidelijk dat het hier om veel meer gaat dan alleen maar lonen van de arbeiders

Arbeidsmarkt
Het is achteraf heel moeilijk aan te tonen wat nu precies het gevolg was van de industrialisatie en wat daarvoor al bestond. Er kwam een nieuwe arbeidsdeling: mannen gingen spinnen, vrouwen kaarden, mannen wilden ook liever niet in een fabriek werken o.a. vanwege de nieuwe arbeidsdiscipline. Het werkritme kon nu niet meer zelf bepaald worden. Er kwam de dictatuur van de klok, waaraan vrouwen en kinderen zich beter konden aanpassen. De textiel verloor ook voortdurend arbeidskrachten aan andere sectoren. Dit waren mannen, vrouwen en kinderen waren de grootste groep arbeiders in de textielindustrie en ze werden betaald met stukloon.
Kinderen werkten vaak samen met ouders in de fabriek
- ouders konden kinderen controleren
- zelf opleiden
- voor kinderen waren de eigen ouders toch vertrouwder
Er was een groot verloop in de textielindustrie. Ongehuwde meisjes en getrouwde vrouwen zagen dit werk als een tijdelijke zaak, deden ook meer ongeschoold werk en kregen lager loon en stonden niet zo open voor bijvoorbeeld vakbonden. Het werken van een gehuwde vrouw (kinderen in de steek laten) werd door velen niet positief beoordeeld.

Arbeidsomstandigheden
Gewoonweg slecht:
- onveilige en ongezonde omgeving
- hard en lang werken
- laag loon
Omdat de meeste werknemers jong waren kon men de oude gewoonten en gebruiken (o.a. ingesteld door de gilden) niet meer handhaven. Wil van machines en fabrikanten werd wet. Sadler was de eerste die een wetsvoorstel indiende om werktijden voor jongeren te beperken (gem. 12-14 uur), dit werd niet aangenomen, wel kwamen er parlementaire commissies. Het werk was zwaar en fabrikanten (John Fielden was een uitzondering) probeerden middels reglementen de arbeiders nog harder te laten werken. Hygiënische toestanden waren zeer slecht (bijvoorbeeld ventilatie) en dan was er ook nog de onveiligheid. Concentratie verslapte tijdens de lange werkdagen en de machines veroorzaakten dan veel ongelukken

Arbeidsverhoudingen
In de 19e eeuw hield men vast aan de gedachte dat de fabrikanten zgn. self-made men, waren, zelf begonnen als arbeider in loondienst. Uit recenter onderzoek is gebleken dat het toch vooral mannen uit de middenklasse waren, die je overigens in de 19e eeuw niet als zeer vermogend moet zien.
Hoe stond de arbeidersklasse tegenover de bazen?
1. solidariteit van arbeiders was beperkt (veel onderlinge verschillen), vakbonden werkten weinig samen
2. arbeiders waren niet erg conflict-georiënteerd. Er waren wel geweldsuitbarstingen, maar die waren niet bedoeld om de maatschappij omver te werpen
3. ook ontstond er niet echt een bourgeois-solidariteit. Beoefenaars van vrije beroepen hadden vaak heel andere belangen dan kooplieden en fabrikanten. Ook was er relatief vrij weinig participatie in de vakbonden, oorzaak het eerder genoemde grote verloop. Ook stond men niet positief ten opzichte van vrouwen in vakbonden want:

- men was bang dat de lonen van mannen dan ook verder naar beneden zouden gaan
- mannen zich over het algemeen toch superieur voelden aan vrouwen.

bestaanszekerheid
het definitieve antwoord op het stand of living debate is nog steeds niet gegeven. Toen het spinnen gemechaniseerd werd hadden de wevers het erg goed. Maar met de invoering van het stoomweefgetouw kregen de wevers het slechter en verzetten zich. Het platteland verarmde, spinnen werd vooral in de fabrieken in de steden verricht. Arbeidersgezinnen hadden het vaak moeilijk want:
- mannen werden vaak vervangen door vrouwen en kinderen (goedkoper stukloon)
- ze hadden niet zoals op het platteland vaak nog een eigen stukje grond.
De situatie van een gezin ging vaak achteruit als er kinderen werden geboren, de vrouw werkte dan meestal niet meer en zeker in tijden van economische crises MOESTEN kinderen dan wel in de fabriek werken, voor het gezinsinkomen. In die periode kwam ongeveer 85% van de hele arbeidende klasse onder de armoedegrens.

De kloof tussen arbeiders en fabrikanten groeide in deze periode. Fabrikanten zagen de mechanisatie als iets goeds: hogere productie en hogere winsten. De arbeiders die in de slums (sloppenwijken), woonden, zagen de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter worden.
 
 
{mospagebreak}
6. Reacties op de Industrialisatie
Tijdens de Industriële Revolutie werd door de grootindustrie geproduceerd volgens de principes van de markteconomie (vraag en aanbod): minimale kosten, maximale afzet, grootst mogelijke winst. Het overgrote deel van de bevolking bestond uit loonarbeiders, van wie de omstandigheden puur bepaald werden door de situatie op de “markt”. Eigenlijk werd de positie van de arbeiders helemaal niet door een wet beschermd. Sterker nog: er kwamen wetten die de positie alleen nog maar verslechterden. De Combination-acts (1799-1800) verboden stakingen en vakbonden. Maar de omstandigheid van de arbeider werd vooral bepaald door de lage lonen, veroorzaakt door het enorme arbeidsaanbod . De belangen van werkgevers en werknemers waren enerzijds gelijk, maar er was ook een grote belangenstrijd (bijv. over de hoogte van de lonen)
wapen arbeiders: staking
wapen werkgevers: ontslag

Visies op de nieuwe samenleving

1. Thomas Malthus: theorie van Malthus. Dit was een dominee-econoom. Volgens hem zou de bevolking zich steeds maar blijven verdubbelen, maar de bestaansmiddelen zouden er bij achterblijven. Er zou uiteindelijk een tekort aan voedsel en dus hongersnood ontstaan. checks of misery and vice (bijvoorbeeld oorlogen en geslachtsziekten) zouden de bevolkingsgroei remmen, maar Malthus oordeelde dat dat niet voldoende was. Malthus was ook voor preventieve checks, geboortebeperking op een verantwoorde schaal (uitstel huwelijken en verhoging huwelijksleeftijd NB: dus geen voorbehoedsmiddelen).
Maltus bewonderde de Industriële samenleving niet. Hij verheerlijkte vooral de agrarische samenleving.
2. Andrew Ure was één van de vertegenwoordigers van diegenen die juist de positieve kanten van de industrialisatie benadrukten.
3. Adam Smith & David Ricardo, de klassieke economen die de handel met het buitenland vooropstelden (dit i.t.t. Malthus).
Ure, Smith en Ricardo kunnen gezien worden als de grondleggers van het (politiek) liberalisme:

Belangrijk daarin waren het parlement en de vrijheden gegarandeerd door de grondwet (het individu stond voorop!!). Op economisch gebied moest de overheid zich zo terughoudend mogelijk opstellen, het ging om het vrije spel van vraag en aanbod. Dit leidde tot de zogenaamde nachtwakersstaat.
4. Robert Owen. De belangrijkste vertegenwoordiger van de stroming die wel de negatieve sociale gevolgen van de industrialisatie benadrukte. Op fabrikanten had hij weinig of geen invloed. Maar zijn utopie (ideale samenleving) waarin er goed onderwijs was voor kinderen en er door de arbeiders veel gemeenschappelijks zou worden gedaan (bijvoorbeeld opvoeding van de kinderen) werd wel overgenomen door kleine groepen arbeiders die zogenaamde coöperaties oprichten. Verbetering van de situatie van de arbeidersklasse hoefde dus niet per sé door middel van een gewelddadige klassenstrijd, aldus deze stroming.

Vormen van sociaal protest
Aan het eind van de 18e eeuw werden de eerste vakbonden opgericht (mule-spinners, een bevoorrechte groep als eerste). Het belangrijkste wapen van de vakbonden was een staking, maar in tijden van economische crises weinig effectief omdat er altijd stakingsbrekers waren en de overheid tegenmaatregelen nam (Combination-Acts). Tegenmaatregel van de werknemers was de zgn. uitsluiting, een gezamenlijke actie van de ondernemers om stakers in de toekomst van werk uit te sluiten. Meestal wonnen de werkgevers.

Een voorbeeld van sociaal protest: De Luddieten
Dit was een actie van de zogenaamde thuiswevers voor wie het erg moeilijk was om zich te organiseren en door de economische situatie werd hun positie steeds slechter. De beweging kwam aan zijn naam doordat verklaringen werden ondertekend met “King Lud”of “Ned Lud”. In 1807 dienden de wevers een petitie in bij het parlement vanwege het steeds lagere stukloon. Dit werd verworpen, reactie: grote staking, met tijdelijke loonsverhoging van 20%. Omdat er verder weinig gebeurde kwam er met de Luddieten-beweging een hoogtepunt in 1811-1812 (aanvallen op machines, gedwongen inzamelingen, aanvallen op fabrikanten, berovingen en inbraken, politieke rellen en massale optochten behoorden tot de acties) De machine was voor hen de zondebok van alles. Het sloeg over van Nottingham, Derby en Leicester naar Lancashire. Veel frames werden in elkaar geslagen door zgn. smashers. De overheid greep met harde hand in (zo kwam er op machine-breaking de doodstraf te staan), maar veel arbeiders raakten langzamerhand ervan doordrongen dat er sociale veranderingen moesten komen d.m.v. politieke hervormingen.
De situatie van de arbeiders begon gunstiger te worden:
- de Combination Acts werden ingetrokken en het werd weer mogelijk vakbonden op te richten
- werk van sociaal-bewogen mensen uit de hogere klassen (Robert Owen, Mrs. Gaskell en Charles Dickens (sociale romans: o.a. Oliver Twist, afkeer van sociale onrechtvaardigheid en sympathie voor de armen)
- overheid (premier Lord Shaftesbury) kwam met de Factory Acts(1833)
- veiligheid in fabrieken + werktijden vrouwen en kinderen
- bescherming werkgelegenheid mannen
- verbod kinderarbeid onder 9 jaar
- kinderen 9-13 jaar maximum 9 uur per dag werken
- kinderen 13-18 12 uur per dag
- alle kinderen onder 18 jaar mochten geen nachtarbeid meer verrichten
Er kwam een inspectiedienst maar weinig effect door het kleine aantal inspecteurs en de van te voren aangekondigde inspecties


Vormen van politiek protest
Arbeiders werden aan het begin van de 19e eeuw zich er meer en meer van bewust dat ze voor verbeteringen van levensomstandigheden een stem in het parlement nodig hadden. In Manchester werden in 1819 allerlei meetings georganiseerd, de overheid was gewaarschuwd. Op 16 augustus kwam er een grote menigte bijeen, stadsbestuurders sommeerden de menigte (50.000) middels de Riot Act om uiteen te gaan. Het Manchester yeomanr (vrijwilliger-miltairen) richtte een bloedbad aan dat de geschiedenis is ingegaan als het Peterloo Massacre. De lokale machthebbers waren verantwoordelijk voor het militaire ingrijpen, gesteund door de regering. Het werd duidelijk dat er hervormingen MOESTEN komen, niet op straat, maar in het parlement.

De Reform Bill:
Men wilde het parlement omvormen tot een meer democratisch lichaam. (het was een tweekamerstelsel met Lager- en Hogerhuis)
Daarvoor was nodig:
- verandering van het kiesrecht
- afschaffing van het vetorecht van het Hogerhuis
In het Hogerhuis, toen gelijkwaardig aan het lagerhuis, zat de Britse adel en had vetorecht over de wetsvoorstellen van het lagerhuis (vertegenwoordiger van het volk). Liberale wetten werden steeds verworpen, conservatieve wetten aangenomen.

In 1831 werd de Reform-Bill door het Hogerhuis verworpen, maar ze moesten uiteindelijk wel instemmen omdat anders een heleboel mensen tot de adelstand zouden worden verheven die wel positief stonden tegenover veranderingen.
Wat veranderde de Reform-Bill?
- industriesteden kregen nu eindelijk ook een stem in het parlement
- het censuskiesrecht (som van belasting die je betaalde gaf toegang tot stemrecht) werd aangepast (verlaagd). Vanaf die tijd had ongeveer 1 op de 5 mannelijke Britten stemrecht. Er was nog een lange tijd te gaan tot werkelijke democratie en door deze wet kregen de arbeiders natuurlijk niet echt veel meer invloed (betaalden te weinig belasting).

Het chartisme
Evenals de hierna genoemde liga tegen de graanwetten ontstonden omdat men de Reform-Bill niet ver genoeg vond gaan. Het is genoemd naar het zogenaamde people’s charter waarin de volgende eisen stonden
- invoering algemeen mannenkiesrecht
- drempel van een bepaald minimaal vermogen voor passief kiesrecht (dwz. recht om gekozen te mogen worden) moest worden afgeschaft
- gekozen parlementsleden zouden betaald moeten worden
- geheime verkiezingen
Onder leiding van Feargus O’Connor, werd het een massabeweging met meetings, die niet veel kon uitrichten omdat de overheid met sociale maatregelen op beperkte schaal in de jaren ’40 invoerde. Pas veel later werden alle eisen van het Chartisme ingewilligd. Belangrijk: het chartisme bleef altijd vertrouwen op het parlement (nb. wilde dus niet de parlementaire democratie om zeep helpen!!)
Op korte termijn heeft het chartisme niet veel bereikt

Ant-Corn Law League (1839)
o.l.v. Richard Cobden
Dat gold wel voor deze liga tegen de graanwetten, die het duurdere binnenlandse graan, en dus de grootgrondbezitters beschermde. De broodprijzen bleven hierdoor (te) hoog.
Eigenlijk was de algemene doelstelling:
- verdwijnen van het systeem van protectionisme
- invoeren van de vrijhandel
Belangen van ondernemers (vrije grondstoffen en makkelijke afzet voor hun eindprodukten) en arbeiders (lagere voedselprijzen) kwamen hier samen. Er werd druk uitgeoefend op parlement en regering en in 1845 schafte premier Peel met een deel van de oppositie de graanwetten af.
Dit was politiek zeer belangrijk, maar ook economisch. Vanaf nu domineerde de vrijhandel, van groot belang voor de industriële export. Niet de lords of the soil (grootgrondbezitters) hadden het nu meer voor het zeggen, maar de lords of the loom (industriële, stedelijke belangen).

Bericht geplaatst in: artikel