KERKELIJKE STAAT
De Kerkelijke Staat ontstond geleidelijk tussen de 4de en de 6de eeuw en bestond officieel van 754 tot 1870. Het is daarmee de oudste republiek in Europa. Toch werd die geschiedenis tot nu toe door niemand als geheel beschreven. Geschiedenissen en biografieën van de pausen zijn er wel. Wim Akveld, in 1997 al auteur van “De Romeinse Curie, de geschiedenis van het bestuur van de wereldkerk”, is specialist ter zake.
In alle tijden blijkt hoe Italiaanse, Duitse, Franse, Spaanse, Portugese en zelfs Turkse machthebbers een bedreiging vormden voor de Pauselijke Staat of zich ermee moeiden.
En ook dat de meeste pausen meer staatshoofd dan geestelijk leider waren.
In de 12de-13de eeuw protesteerden Bernardus van Clairvaux en Dante, in de 16° eeuw de reformatoren tegen de wantoestanden ( verrijking, corruptie, oorlogvoering en andere vormen van wangedrag).
Akveld zelf spaart zijn kritiek ook niet op renaissancepausen zoals Alexander VI Borgia of Leo X de Medici, die met een hofhouding van 683 man enorme kapitalen verslonden, meer dan 2.000 ambten te koop stelden, kunstenaars en historici sponsorden en het celibaat niet respecteerden. De Contrareformatie bracht hier verbetering in.
Andere activiteiten waren handel, textiel, bankwezen en gastenhuizen voor soms 100.000 pelgrims e.a. reizigers per jaar. Toch kreeg de stad tussen 1530 en 1769 slechts twee keizers op bezoek: Karel V en Jozef II.
De paus was meer dan andere Italiaanse vorsten betrokken bij internationale congressen.
Het toerisme bloeide wel in de 18de eeuw dankzij pelgrims en welgestelden die een Grand Tour ondernamen. De souvenirnijverheid ontstond: men verkocht afbeeldingen van kunstwerken, monumenten en kerken.
Tevens verbood de kortzichtige paus alle katholieken in Italië om deel te nemen aan de regering of aan het politieke leven, zodat het bestuur uitgeleverd werd aan een minderheid van ongelovigen.
Akveld besluit met de volgende wijze woorden: alle kerkhistorici zijn het er nu over eens dat Italië, door de bezetting van de Kerkelijke staat, de Kerk bevrijd heeft van een last, waarvan zij zichzelf nooit had kunnen bevrijden.
Hij beweert heel bescheiden dat zijn boek bedoeld is voor geïnteresseerde leken en niet voor kerkhistorici, maar van die leken wordt dan verwacht dat ze aardig wat Latijnse en Italiaanse begrippen verstaan en op de hoogte zijn van 11 à 14 eeuwen Europese politieke, economische, sociale en culturele geschiedenis.
De bijlagen zijn zeer interessant: 7 pagina’s over de bouw van de Sint Pieter, die helaas ten koste ging van de oude basiliek van Constantijn; de nefaste gevolgen van de opheffing (1773) van de jezuïetenorde; ook eerder in de tekst wordt hier veel aandacht aan besteed en spuit Akveld pittige kritiek op paus Clemens XIV, zijn entourage en de landen Portugal, Spanje en Frankrijk; verder: de kerk in Frankrijk net vóór de Revolutie; de Vaticaanse Staat / Vaticaanstad van 1929 tot nu. We hopen dat Akveld nog de moed of een opvolger vindt om ook de geschiedenis van deze unieke ministaat te schrijven.