ANGST VOOR DE SOCIALISTEN EN DE OORLOG
Geplaatst op
7 januari 2006
door
Jeannick Vangansbeke
Angst voor de socialisten en de oorlog van koning Leopold I tot Albert I in een feestelijk vijfluik.
Niet toevallig in het jaar waarin België zijn 175ste verjaardag viert, stelt uitgeverij Lannoo een ambitieus plan voor: een nieuwe geschiedenis van België in drie lijvige delen door de medewerking van 12 historici van verscheidene Nederlands- en Franstalige universiteiten. Zoals de nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, biedt dit standaardwerk dat een overzicht biedt van de hele politieke geschiedenis van België, bovendien rekening houdend met het meest recente wetenschappelijk onderzoek, een overzicht van de economische, sociale en culturele aspecten van de natie.
Het is wel even schrikken om de redactie het woord ras in de mond te horen nemen in de inleiding. Gelukkig vernemen we wel dat het nog niet zo slecht gaat met de Belgische geschiedschrijving, hoewel de autoriteit van Pirenne blijkbaar nog steeds kippenvel bezorgt aan zijn opvolgers. Dat slaat dat evenwel vooral op de geschiedenis van voor 1830 die Lannoo buiten beschouwing laat. Els Witte is beslist de best geplaatste persoon om de revolutie van 1830 te schetsen, waarna haar Franstalige collega-historica Gubin het burgerlijke en liberale Belgische verhaal tot 1878 brengt. De Gentse Gita Deneckere verhaalt de door de katholieke partij en angst voor opkomend socialisme gedomineerde geschiedenis tot 1905 en toont zich zelf verbaasd daarbij nauwer aan te sluiten bij Van Isackers Land in de kering dan zij zelf blijkbaar verwachtte.
De Gentse socialisten weigerden de revolutie van 1830 te vieren, een 11 juli viering kon eerder wel, zeker nadat de katholieken in 1909 in het Gentse stadsbestuur de liberalen verwisselden voor de socialisten. Het lijkt een detail, maar het is voor de Gentse historicus Maarten Van Ginderachter een aanleiding om stil te staan bij de verhouding tussen socialisme en vaderlandsliefde voor 1914. Meestal wordt aangenomen dat, zoals koning Albert I het uitdrukte, de Belgische Werklieden Partij de enige waarlijk nationale partij is. Dit omdat de katholieken zich naar de koninklijke smaak te veel met de Vlaamse en de liberalen met de Waalse partij vereenzelvigden. De Leuvense hoogleraar Lode Wils meende dat uit bewondering voor de Franse revolutie de socialisten steeds Vlaamsvijandig waren. Het rode vaderland nuanceert dit en maakt duidelijk dat die evolutie niet in de sterren geschreven stond. Het mag waar zijn dat onder Willy Claes de socialisten als laatsten uiteen gingen in een Waalse en Vlaamse partij, voor 1914 was met name het Gentse anarchistisch getinte socialisme en haar evenknie in de Borinage het patriottisme erg vijandig gezind.
Hoewel in 1912 liberalen en socialisten tevergeefs poogden samen de katholieke meerderheid nationaal te breken, waren het de Vlaamsgezinde katholieken in grote steden als Gent en Antwerpen die als eersten de socialisten bestuursverantwoordelijkheid gaven.
De auteur merkt op dat omwille van de gulle Vlaamse en Waalse subsidies voor historisch onderzoek, het Belgisch vaderland meer en meer uit het blikveld verdwijnt, zijn eigen boek lijkt te bevestigen dat dit beantwoordt aan een proces dat ouder is dan de Duitse bezetting van 1914, zoals Lode Wils betoogde, tegen de gang van de staatshervormingen vanaf 1970 in. De ploeg van Lannoo nuanceert sterk die zogezegde afgenomen aandacht.
De Vlaamse politiek heet meer nuchter en zakelijk te zijn dan de Belgische, misschien geldt dit ook voor haar recente geschiedschrijving. Dat is dan wel een evolutie die haaks staat op haar woelig verleden.
Gelukkig worden ook nog los van alle subsidiestromen goede boeken geschreven. Jarenlang las Luc Vandeweyer de oorlogsarchieven bewaard in het Legermuseum en brengt nu het verhaal van het Belgische leger, van de gewone piot tot koning Albert. Hij doet dit meesterlijk, de gevolgen van de oorlog elders aan het westelijk en oostelijk front hebben diepe impact op het frontleven aan de Ijzer en hij brengt hiervan verslag op rauwe en realistische toon. Daartoe gebruikt hij talloze verslagen van ooggetuigen zoals de pastoor van Dikkebus, Van Walleghem. Stuurde de koning voor de oorlog aan op een regeringswissel, tijdens de oorlog was hij een echte dictator, veel van zijn medewerkers-ministers waren veel meer geneigd de zijde van de geallieerden te kiezen, maar daar stak Albert een stokje voor. Uiteindelijk gold ook voor hen tijdens de zogenaamde Godsvrede: des goûts et des couleurs, on n'en discute pas! Zelfs de Britse en Franse militaire leiders kregen geen vat op de bondgenoot zijns ondanks: de Belgische soldaten steunden de geallieerde offensieven niet, want Albert vond een aanval op Duitsland vanuit het zuiden van de de Maasvallei nuttiger. Dat dit Frans grondgebied en geen Belgisch tot het slagveld zou maken, was zeker één van zijn overwegingen. Het leger was en bleef het troetelkind van de koning, in mei 1916 kregen zijn soldaten het hard te verduren door de moordende Duitse artillerie, maar bloedige offensieven zoals in Verdun en aan de Somme bleven de Belgische soldaten bespaard. Slechts onder druk van de Franse publieke opinie werden de Belgische jongemannen in Frankrijk in hetzelfde jaar opgeroepen voor het leger.
Wie het allemaal zelf nog eens wil nalezen, zowel het Vlaamse minimumprogramma als de nationalistische boodschappen van Nothombs Comité de politique nationale als de koninklijke redervoering voor de verenigde Kamers op 22 november 1918, verwijzen we naar het uitstekende bronnenboek van de Leuvense historici Gerard en Van Nieuwehuyse. Ook na de oorlog bleef het leger Alberts bijzondere aandacht genieten en gebruikte hij weinig democratische methodes om dit te beschermen. De pogingen van pacifistische christen-democraten en socialisten om te bezuinigen op defensie werden door de koning via stromannen als baron generaal de Witte vakkundig gedwarsboomd via vernietigende commentaar in de pers, schrijft Lode Wils in het nieuwste deel van zijn Van Cauwelaert biografie. Vandeweyer eindigt met een sterk statement over het karakter van de koning: Alberts neiging tot het aangaan van fysieke uitdagingen, wat blijkt uit zijn bezoeken aan de loopgraven en het zelf piloot zijn met de toenmalige toestellen, brengt hem in 1934 de dood op een gladde rots bij Marche-les-Dames; de koning-ridder is dood. Het lijkt me een ultiem eerbetoon van een historicus die alles behalve blind is voor het autoritaire beleid van de vorst, in de sobere stijl van het hele boek; de ridder-koning was bij uitstek een aristocraat.
* M. Gerard, K. Van Nieuwehuyse, Scripta politica, politieke geschiedenis van België in documenten, 1918-2000, Leuven: Acco, 2005, 383p. 34 euro
* M. Van Ginderachter, Het rode vaderland, Tielt: Lannoo/Amsba, 2005, 493p. 29, 95 euro
* L. Vandeweyer, Koning Albert en zijn soldaten, Antwerpen: Standaard, 2005, 392p. 24,95 euro
* L. Wils, Burgemeester Van Cauwelaert, Antwerpen: Houtekiet, 2005, 174p. 22 euro
* E. Witte, J. Nandrin, E. Gubin, G. Deneckere, Nieuwe geschiedenis van België - deel I, Tielt: Lannoo, 2005, 678p. 24,95 euro
* M. Van Ginderachter, Het rode vaderland, Tielt: Lannoo/Amsba, 2005, 493p. 29, 95 euro
* L. Vandeweyer, Koning Albert en zijn soldaten, Antwerpen: Standaard, 2005, 392p. 24,95 euro
* L. Wils, Burgemeester Van Cauwelaert, Antwerpen: Houtekiet, 2005, 174p. 22 euro
* E. Witte, J. Nandrin, E. Gubin, G. Deneckere, Nieuwe geschiedenis van België - deel I, Tielt: Lannoo, 2005, 678p. 24,95 euro