KANTTEKENINGEN BIJ GLOBALISERING DEEL II

Geplaatst op 15 juli 2004 door Frank Mulder
Wat is de plaats van onze beschaving? Zal de globalisering verschillende beschavingen bij elkaar brengen of juist met elkaar laten botsen?
 Voorwoord
Ik heb in de loop van dit onderzoek veel literatuur geraadpleegd uit de kast van geschiedenis, politicologie, economie, sociale wetenschappen, geografie en filosofie. Dit was enorm boeiend en stimulerend. Geschiedwetenschap bestaat vaak uit het boven tafel krijgen van harde feiten en gearchiveerde waarheden. Dit onderzoek was echter van een ander slag, maar evengoed historisch, doordat het zich meer richtte op het integreren van bestaande kennis. Is dit niet één van de hoofdtaken van een historicus, naast het achterhalen van concrete feiten, om kaders te scheppen, grote lijnen te ontdekken en eenheid te zoeken in bevindingen van andere wetenschappers? Politicologen kunnen veel meer zeggen over de scheiding tussen publiek en privaat dan historici, filosofen kunnen veel beter de ideeën van het postmodernisme uitleggen, geografen en economen weten veel meer over globalisering. Maar om lijnen te leggen en uitkijkposten over de materie op te bouwen, is een historicus nodig.

Ik werd geprikkeld door debatten in de internationale betrekkingen over de botsing der beschavingen, de verbreiding van de liberale democratie, theorieën over modernisering en theorieën over de kloof die het Westen zou kennen tussen postmoderne en premoderne mensen. Er verandert heel veel in de wereld. Dat denken mensen al eeuwenlang, maar feit is wel dat een aantal ontwikkelingen erg snel gaat. Ik heb dat proberen toe te spitsen op onze eigen cultuur. De ontwikkelingen bieden namelijk uitdagingen, maar ook bedreigingen voor de kwaliteit van de samenleving en de kwaliteit van de vrijheid die in ons land enorm groot is geworden.

Volgens Nietzsche, en in zijn voetspoor Fukuyama, zal de westerse mens in de liberale samenleving doelloos rondzwalken, met het beltegoed als spannendste filosofische probleem (vrij vertaald). Van verveling heb ik echter geen last gehad, zo lang ik met dit onderzoek bezig ben geweest. Bijna een jaar lang heb ik me twee dagen per week prima vermaakt met het lezen van allerlei interessante boeken en artikelen. Hopelijk kan de lezer iets van dat enthousiasme terugvinden in mijn verhaal.

Frank Mulder
Utrecht, mei 2002.
{mospagebreak}Inleiding

“Two basic changes are happening today under the impact of globalisation. In the Western countries, everyday life is becoming opened up from the hold of tradition. And other societies across the world that remained more traditional are becoming detraditionalised. I take it this is at the core of the emerging global cosmopolitan society.

For increasing numbers across the world, life is no longer lived as fate - as relatively fixed and determined - authoritarian government becomes out of line with other life experiences, including the flexibility and dynamism necessary to compete in the global electronic economy."
(Anthony Giddens, 1999)

De Engelse Derde Weg-filosoof Anthony Giddens laat in bovenstaande fragmenten zien dat het dagelijks leven van mensen over de hele wereld fundamenteel verandert door het proces van globalisering. De wereld detraditionaliseert. Het politicologische debat over globalisering richt zich vooral op de positie van de staat, die steeds minder de globale economie zijn wil op kan leggen, maar globalisering gaat verder dan dat. Met de staat, dit symbool van de Verlichting, is in het tijdperk van globalisering het hele modernistische wereldbeeld aan het wankelen gebracht. Afstand en tijd zijn relatief geworden in de wereld van telecommunicatie, normen en gewoonten zijn niet meer absoluut nu verschillende samenlevingen werkelijk multicultureel worden, de idee van maakbaarheid is losgelaten nu alles met alles blijkt samen te hangen. Zomaar een paar veranderingen die door iedereen op heel verschillende manieren worden geïnterpreteerd en gewaardeerd, maar die in ieder geval verstrekkend en onomkeerbaar zijn.

Globalisering is dus meer dan de uitholling van de macht van nationale overheden aan het einde van de 20e eeuw. Globalisering is een proces dat al veel langer bezig is: het kan worden gezien als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Dit heeft gezorgd voor zowel homogenisering als differentiatie, twee processen die diep ingrijpen in onze cultuur en ons wereldbeeld. Die brede omschrijving is het uitgangspunt van dit onderzoek.

De westerse samenleving en de wereld
In de loop van de 20e eeuw is de wereld kleiner geworden en dit heeft ook zijn weerslag gehad op het denken van mensen in het Westen. Na 11 september 2001 zijn de vragen nog meer aan de orde gekomen: Wat is de plaats van onze beschaving? Is de ontwikkeling naar onze liberale waarden voor ieder land onvermijdelijk? Zal de globalisering verschillende beschavingen bij elkaar brengen of juist met elkaar laten botsen? Volgens Francis Fukuyama zullen alle samenlevingen uiteindelijk vanzelf uitkomen bij een democratische staatsvorm met een economie gebaseerd op de vrije markt. De ideeëngeschiedenis is volgens hem ten einde gekomen, men zal zich steeds meer gaan bezighouden met dagelijkse bezigheden dan met grote vraagstukken. Dit is slechts een constatering van hem, de Amerikaan ziet wel degelijk negatieve aspecten in de neoliberale democratische cultuur. In dezelfde periode is Samuel Huntington met iets heel anders op de proppen gekomen, namelijk met een confrontatievisie: er zijn op de wereld verschillende beschavingen, waarvan de Chinese, de westerse en de islamitische de krachtigste zijn, en met name de twee laatstgenoemde zullen in toenemende mate met elkaar in conflict komen.

In het licht van de globalisering is de uitkomst van deze en dergelijke debatten zeer interessant. Is globalisering inderdaad verwestersing van de hele wereld, zoals Fukuyama suggereert? Of zijn modernisering en verwestersing twee aparte processen, wat Huntington ons wil doen geloven? Beide wetenschappers gaan er bovendien van uit dat de westerse beschaving liberaal en verlicht is. Is onze samenleving echter wel zo homogeen? Jeffrey Barber vindt "McWorld", de ondemocratische commerciële globalisering, net zo gevaarlijk als de "Jihad", de traditionele fundamentalisten.

Op verschillende niveaus kunnen deze visies worden onderzocht, maar ik wil vooral een bijdrage leveren op fundamenteel niveau, op de cultuurfilosofische onderlaag. Dit onderzoek richt zich op Nederland en probeert te ontdekken wat de invloed van globalisering op onze eigen samenleving is en hoe daar op wordt gereageerd. Naar mijn mening is zo"n uitvergroting noodzakelijk voor een goede waardering van wat er nu werkelijk gebeurt met de westerse beschaving (en met de rest), zonder bij voorbaat al aan te nemen dat de wereld wel zal verwestersen door handelsliberalisering, óf juist dat culturen ongevoelig zijn voor economische processen en dat het neoliberalisme ethisch neutraal is. Een visie op de culturele grondslagen van de samenleving beïnvloedt onvermijdelijk de visie op internationale betrekkingen en moet daarom grondig ontwikkeld worden.

Kapitalisme en moderniteit
“Steeds meer mensen denken: wat heeft de staat te doen behalve mijn eigendommen en leven beschermen? Hier en daar een beetje bijsturen en op de winkel passen. Politiek is ondergeschikt. Onze economische bedrijvigheid en ons gezin vinden we veel belangrijker. We kunnen op onze geïndividualiseerde wijze onze eigen kleine wereld opbouwen. Onder jongeren is de VVD mainstream geworden. Maar ook de andere politieke partijen zijn veel liberaler geworden. Die vervlakking is een vorm van amerikanisering."
(James Kennedy, 2001)

“Juist bij jongeren vat het neoliberalisme zo goed post, omdat het inspeelt op korte termijngenoegens, en profiteert van een gebrekkig historisch besef."
(ON, 2001)

Is globalisering neutraal en waardevrij? Is het een ontwikkeling waarover geen normatieve uitspraken te doen zijn, omdat het slechts een natuurlijk proces is van schaalvergroting? Het heeft in ieder geval gevolgen waar sommige mensen blij mee zijn en waar andere mensen kanttekeningen bij plaatsen. In dit onderzoek wil ik de verschillende meningen in kaart brengen en de verschillende soorten kritiek uitdiepen. Dit kan namelijk bijdragen tot een beter begrip van wat er zich onder de oppervlakte afspeelt. Zoals gezegd, zie ik globalisering als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Het is niet verwonderlijk dat de pijlen van de critici zich dan ook op deze processen richten. Aan de ene kant zijn er groeperingen die vooral het kapitalisme beschuldigen. De zogenaamde "anti-globaliseringsbeweging" die toppen van de G8 en de WTO verstoort, hoort in dit rijtje thuis. Op nationaal niveau richt deze kritiek zich op de vermeende vermarkting en economisering van de samenleving.

Andere kritiek lijkt zich niet in eerste instantie op het kapitalisme te richten, maar op de moderniteit, het westerse paradigma dat zijn oorsprong heeft in de Verlichting maar intussen niet in de laatste plaats door globalisering een stuk verder is ontwikkeld. Zo heeft men ontdekt dat de rede ook niet alles kan en dat niet iedereen uitkomt op dezelfde normen en waarden. De liberale overheid probeert dit te respecteren door iedereen zo veel mogelijk de ruimte te laten het eigen geloof, de eigen religie of de eigen waarden aan te hangen. Een sympathiek streven, dat volgens vele sociologen en filosofen echter te weinig richting geeft aan de samenleving en het morele kapitaal van de cultuur uitholt.

Opbouw van dit onderzoek
Het doel van dit onderzoek is een visie te ontwikkelen op de gevolgen van globalisering en te onderzoeken welke kritiek hierop wordt gegeven. Dat doe ik door een antwoord te zoeken op de vraag: is globalisering neutraal en waardevrij? In deel I ga ik dieper in op de achtergrond hiervan. In de eerste plaats doe ik dat om een aantal ideeën en begrippen te introduceren. Ten tweede wil ik zo een beter zicht krijgen op de samenhang tussen globalisering, moderniteit en kapitalisme. Tenslotte wil ik in de literatuur vast een voorlopig antwoord zoeken op de onderzoeksvraag. Een definitief antwoord is niet mogelijk, aangezien het slechts een literatuuronderzoek betreft, met literatuur uit verschillende disciplines waarover ik geen wetenschappelijk oordeel kan geven.

In deel I probeer ik de verschillende benaderingen te bespreken en te integreren in één kader. Het aanbod aan literatuur is enorm, waardoor een zeker eclectisme onvermijdelijk is. Toch ben ik bij de afzonderlijke onderwerpen steeds begonnen met het lezen van overzichtswerken en laat ik in ieder geval representanten van het hele spectrum aan het woord, liberalen zowel als niet-liberalen en optimisten zowel als pessimisten. Zo zijn de conclusies zo objectief mogelijk. Ik zal betogen dat het politieke liberalisme in feite de politieke theorie van de moderniteit is en dus ook van de globalisering. Ik constateer enerzijds veranderingen op het terrein van cultuur en filosofie, en anderzijds veranderingen op het terrein van economie en politiek. In het laatste hoofdstuk van deel I plaats ik enige kanttekeningen bij globalisering op grond van een deel van de literatuur.

In deel II wil ik verschillende visies op globalisering onderzoeken. Dit doe ik door systematisch en omvattend de ideeën te bespreken die bestaan in politiek Nederland. Leidraad hierbij is de vraag: in hoeverre sluiten de politieke stromingen anno 2001 in Nederland zich aan bij de liberale visie dat globalisering neutraal is? Ik zal me grotendeels beperken tot de ideeën van de drie grootste politieke stromingen in Nederland, het liberalisme, de sociaal-democratie en de christen-democratie, en ik onderzoek hun benadering van globalisering vanaf het aantreden van het eerste kabinet-Kok, in 1994, tot en met 2001.

Omdat de politieke partijen niet een korte en eenduidige mening over globalisering hebben klaarliggen, zal ik me na een algemene inventarisatie van de verkiezingsprogramma"s van 2001 richten op twee concrete kwesties. Hierbij neem ik de conclusie van deel I als uitgangspunt dat zowel op geestelijk-cultureel als op sociaal-economisch vlak veranderingen optreden als gevolg van globalisering. Ik zal er voor beide gebieden een centrale kwestie uitlichten en de visies van de verschillende stromingen hierop onderzoeken. Constateren ze de veranderingen? Wat is hun visie op de rol van de overheid hierin, willen ze een sturende overheid of juist niet? Gebruiken ze liberale argumenten of niet? Tenslotte stel ik de vraag: welke relatie leggen de partijen tussen de beide gebieden? Daarmee laten ze zien wat volgens hen het verband is tussen economie en cultuur. Hieruit blijkt hun visie op de fundamenten van de liberale globalisering. Aan de hand hiervan kan ik de vraag beantwoorden of ze hier een normatieve uitspraak over durven doen, of dat ze globalisering zien als een neutraal proces dat de overheid niet actief moet stimuleren of juist tegenhouden.

De politiek geeft een concrete vertaling van het abstracte debat van deel I. Er worden verschillende antwoorden gegeven op de vraag of de nationale overheid meer of minder moet doen in het proces van globalisering. Deze antwoorden kan ik wetenschappelijk analyseren en met elkaar vergelijken. Pas in de epiloog zal ik een normatief oordeel geven.
 
 
{mospagebreak}6. Inventarisatie verkiezingsprogramma's
Hoofdstuk 6 onderzoekt verkiezingsprogramma"s om zo een algemene benadering van globa-lisering door de partijen te vinden. Constateren ze de veranderingen? Wat is hun oordeel hierover?

In deel I heb ik de uitgebreide literatuur over globalisering in één kader proberen te plaatsen. Ik heb laten zien dat globalisering niet slechts een neutraal mechanisme is dat "schaalvergroting" of "handelsliberalisering" betekent, maar dat globalisering samenhangt met moderniteit en kapitalisme. Op verschillende manieren grijpt globalisering in op de samenleving: zowel op geestelijk-cultureel vlak als op sociaal-economisch vlak. In deel II zal centraal staan of de verschillende politieke stromingen bepaalde veranderingen willen tegengaan of dat ze juist niet willen ingrijpen omdat globalisering een neutraal proces is. Welke stromingen zijn liberaal en welke zijn communitaristisch geïnspireerd?

In dit hoofdstuk wil ik onderzoeken wat de algemene insteek is van de politieke partijen in Nederland. In verkiezingsprogramma"s laten partijen weten hoe ze de toestand van de maatschappij waarderen, daarom heb ik voor dit hoofdstuk de (concept)programma"s voor de verkiezingen van 2002 onderzocht. In de inleidingen laten de partijen uitgebreid weten wat ze vinden van allerlei ontwikkelingen en daarbij zijn ook concrete standpunten interessant over vermarkting van de publieke sector, individualisering, ICT-revolutie, normen in een multiculturele samenleving, etc.

De verkiezingsprogramma"s vormen een aardige afspiegeling van de mening van de partijen, in ieder geval van hun idealen en van wat ze zouden willen veranderen. Het doet er minder toe wat de politici daadwerkelijk zeggen in de Kamer. Eigenlijk zijn beginselprogramma"s nog beter, maar die zijn weer niet zo actueel en niet erg vergelijkbaar, gezien de verschillende data van uitgifte.

In de te onderzoeken onderwerpen hebben de twee achtereenvolgende paarse kabinetten een eigen insteek gekozen, nl. een neoliberale. Daarom is het interessant om naast de regeringspartijen ook hun oppositie de ruimte te geven. Op ontwikkelingen in de maatschappij hebben Groen Links, SP, ChristenUnie, CDA en SGP wellicht een frisse kijk. Ik heb me wel beperkt tot partijen die in de onderzochte periode, 1994 tot 2001, in de Tweede Kamer zaten. Het paarse kabinet heeft in augustus 2001 een interessante tekst geschreven, de "Verkenningen", waarin ook duidelijk een positie wordt gekozen in dit debat. Dit zal in één van de volgende hoofdstukken aan de orde komen.

Tegen commercialisering en vermarkting
De SP is het duidelijkst in kritiek op Paars. “Na twintig jaar rechtse, neoliberale politiek in drie varianten (CDA/VVD, CDA/PvdA, en PvdA/VVD/D66) loopt deze weg dood op maatschappelijke tweedeling, publieke uitverkoop en sociale verbrokkeling." De partij constateert dat er heel veel goed gaat met een aantal mensen, dat de economie enorm is gegroeid, maar maakt zich erg zorgen over de kwaliteit van de samenleving. “Wezenlijke elementen van een beschaafde maatschappij takelen af," zo schrijft de programmacommissie; de democratie, het milieu, publieke diensten zoals zorg en onderwijs, veiligheid, etc. Het hele verkiezingsprogramma draait rond deze thema"s.

Maar de SP richt zich ook op de onderliggende culturele veranderingen. De gevolgen van globalisering worden uitgebreid besproken. Zo is er een hoofdstuk over de multiculturele samenleving. De gevolgen van de informatiemaatschappij worden niet echt besproken, de SP houdt het bij een paragraafje over de digitale tweedeling. Over individualisering wordt wel veel gezegd: veel mensen zijn volgens de partij wantrouwende, calculerende burgers geworden, met een "ieder voor zich"-mentaliteit. Er moeten weer duidelijke normen gesteld worden door de overheid: jongeren moeten een opleiding krijgen tot "democraat" en het recht moet weer zijn loop hebben.

De Socialistische Partij ziet een verband tussen deze morele toestand van Nederland en de economisering van de maatschappij. De samenleving heeft zo kunnen worden doordat er een overheid was die zo veel mogelijk over wilde laten aan de markt. Deze vermarkting ziet de SP terug op wereldschaal: de neoliberale globalisering moet stoppen. Hetzelfde geldt echter ook voor onderwerpen dichter bij huis, zoals de cultuur:
"Waardevol is vervangen door succesvol en succesvol is volgens deze neoliberale filosofie synoniem voor winstgevend. Cultuur als vermaak, als een verhandelbaar product, als business. In deze visie is slechts dat wat verkoopt de moeite waard."

GroenLinks snijdt deels dezelfde thema"s aan, hoewel minder kort door de bocht. De publieke sector is verwaarloosd, zorg en onderwijs zijn losgelaten door de overheid en met het milieu is geen rekening gehouden. De politiek en de overheid moeten hun plaats weer bepalen en niet meer afzijdig zijn. Ze moeten harde grenzen trekken op die terreinen waar particuliere belangen het publieke belang dreigen te overwoekeren. “Een nieuwe politieke agenda is nodig, waarin kwaliteit van kwantiteit wint […] en het publieke van het private." Aandacht wordt gevraagd voor commercialisering op verschillende gebieden, van kunst tot media.

Onderliggende processen krijgen eveneens geruime aandacht. In een aparte paragraaf, "Een wereld van veranderingen", gaat het programma in op de ICT-revolutie, de multiculturele samenleving, technologische veranderingen en de internationalisering, processen die in de betreffemde hoofdstukken nog verder worden uitgediept. “[De wereld wordt] zowel complexer als doorzichtiger." Zo plaatst GroenLinks de neoliberale politiek met al haar nadelen in een groter kader.

Ook de partij van Rosenmöller ziet een relatie tussen de economische veranderingen en de moraal van de mensen, tussen de individualisering en de teloorgang van de publieke sector. Door de neoliberale agenda is een atmosfeer in de hand gewerkt waarin mensen vooral worden gezien als consumenten die met anderen weinig op hebben. “De toegenomen individuele vrijheid en consumptiemogelijkheden leiden dan tot onderlinge wrijving." Publieke waarden en collectieve goederen moeten weer door de overheid worden beschermd. Ook aan de gezondheidszorg moet de samenleving ethische grenzen stellen. Opvallend is echter wel dat GroenLinks, in tegenstelling tot de SP, uitgebreid de positieve kanten noemt van de individualisering en de vrijheid, op verschillende plaatsen in het Verkiezingsprogramma. Zelfs al in het voorwoord: “[Het Paarse kabinet nam] de mondigheid en zelfbeschikking van sommige mensen gelukkig serieus – denk aan het homohuwelijk en de euthanasie-wetgeving."

De visie van de paarse partijen
“Er gaat veel goed in Nederland. Maar er is ook nog heel veel te doen. Enkele van de hiervoor genoemde ontwikkelingen baren sociaal-democraten grote zorgen." Met deze opstelling neemt de PvdA in haar verkiezingsprogramma een opvallende positie in. Terwijl bovenstaande partijen Paars en daarmee ook de PvdA beschuldigen van de huidige problemen, wijt de Partij van de Arbeid ze in een lang hoofdstuk aan verschillende structurele veranderingen, zoals individualisering, flexibilisering en mondialisering. Sociale verbanden zijn veel flexibeler geworden, maar nu de publieke voorzieningen onder druk staan, kunnen steeds meer mensen niet meekomen. Er wordt niet gesproken over schuld van het neoliberale gedachtegoed, er wordt slechts geconstateerd dat de wereld verandert en dat dit nieuwe uitdagingen met zich mee brengt.

De hoofdvraag volgens de sociaal-democraten is “Samen of ieder voor zich?" Daarmee kiest de partij hetzelfde uitgangspunt als de andere linkse partijen, nl. solidariteit, en wordt er grote nadruk gelegd op de gemeenschap en op “eerherstel van het publieke domein". Hieraan is eveneens een moreel appèl gekoppeld. “Alles moet kunnen was in de jaren zestig en zeventig misschien een nuttige kreet tegen ondemocratische en ongelijke machtsverhoudingen. Maar het is een slecht principe voor de inrichting van een samenleving. Vrijheid en tolerantie zijn hier en daar uitgemond in slordigheid en regelrechte hufterigheid." Hufterigheid, dat is volgens een van de opstellers van het programma gewoon asociaal gedrag, in de metro bijvoorbeeld. Er dient een herbezinning op waarden plaats te vinden.

Net als bij GroenLinks wordt de individualisering door de regeringspartij op zich niet als een probleem gezien. De informatiesamenleving wordt niet gewantrouwd, maar gezien als uitdaging waar een overheid bij past die uitgaat van de vraag van de burger. Ergens anders staat: “Het gaat er vooral om wegen te vinden om de overheid zó te laten functioneren dat de burgers zichzelf beter kunnen helpen."

De VVD is de regeringspartij aan de andere kant van het politieke spectrum en op papier is dit zeker te merken. “Uitgangspunt van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie is de vrije, zelfsturende en verantwoordelijke mens," aldus zin 1 van het programma. “Toetssteen voor de voorstellen van het programma is, dat ze leiden tot verdere emancipatie van de mens." Deze emancipatie zal geholpen worden door de techniek en het menselijk vernuft. Liberalen zijn dan ook vooruitgangsoptimisten en geloven in de werking van open markten, is er te lezen. Over de problemen van eventuele vermarkting of commercialisering is niets te vinden noch van alle dramatische situatieschetsen van de linkse partijen. Paars heeft uitstekend werk geleverd. Het grootste gevaar voor de overheid is juist overregulering. “De consument, de klant, de burger als afnemer van die diensten" verdient nog meer keuzevrijheid, zodat ook in sectoren zoals zorg en onderwijs de VVD kiest voor “oplossingen die de aanbodsturende benadering van overheidstaken ombuigen naar meer vraagsturing en vergroting van marktwerking."

De liberalen zien de grote veranderingen van deze tijd. “Emancipatie was lange tijd vooral vrijmaking van groepen met duidelijk omschreven groepsbelangen en -keuzes en gedeelde normen en waarden. Door individualisering, internationalisering en informatisering zijn opvattingen van voorheen vastomlijnde en herkenbare groepen gefragmenteerd." Er moet een nieuwe verdeling komen tussen publiek en privaat terrein, want door de technische ontwikkelingen kunnen burgers steeds meer zelf. De VVD ziet voorts op het gebied van globalisering het toenemend belang van de internationale concurrentiekracht en heeft ook een paragraafje over integratie van minderheden.

Hoewel het M-woord zelf niet wordt genoemd, heeft de VVD wel wat te zeggen over moraal. Tegenover vrijheid staat namelijk verantwoordelijkheid en tegenover rechten staan plichten van de individuele burger, zodat we niet de gemeenschappelijke visie op het algemeen belang kwijtraken. Migranten moeten de onvervreemdbare rechten en vrijheden accepteren, zoals de grond- en vrijheidsrechten, en het gebruik van de Nederlandse taal.

De derde regeringspartij, D66, staat in het vraagstuk markt – overheid aan dezelfde kant als de VVD en heeft misschien nog wel meer dan deze partij vrijheid van de burger in het vaandel. De burger is voor alles een consument, en de economie moet een economie zijn “waar consumenten vrij hun keuzes kunnen maken". Evenals de vorige partij zien de sociaal-liberale democraten niet de problemen in de markt die de linkse partijen zien. “Over de hele linie kan de marktwerking verder verbeterd worden. Dat is goed voor de consument en de producent, zoals is aangetoond met de verruiming van de winkeltijden." De overheid heeft wel een taak en die ligt met name op het vlak van bescherming van de consument tegen onveiligheid of tegen monopolieposities.

“Economie en maatschappelijke infrastructuur veranderen ingrijpend en bieden steeds meer ruimte voor individuele keuze en eigen zeggenschap," schrijft de programmacommissie. Maar thema"s als globalisering en fragmentatie worden niet uitgebreid tegen het licht gehouden. De informatiemaatschappij wordt gezien als uitdaging, het komt democratisering ten goede.

D66 ziet wel dat een samenleving die in ijltempo verandert, vorm moet blijven geven aan dat wat mensen bindt en van waarde is. Hiermee bedoelen de democraten vooral het belang van kunst en cultuur. Over moraal wordt niets gezegd, behalve dat in de zorg ook zelfbeschikking centraal staat, tenzij een ander of de gemeenschap schade wordt berokkend. Opvallend genoeg is D66 wel tegen het klonen van foetaal weefsel. Daar D66 vrijheid als uitgangspunt voor de moraal kiest, is de partij wel consequent voor het stimuleren van een interculturele samenleving. Diversiteit is verrijkend. Wel blijven daarbij “de fundamenten van onze samenleving als de democratische rechtsorde, de grondrechten en de gelijkwaardigheid van man en vrouw waarden die op alle burgers moeten worden overgedragen."

De christelijke oppositie
“Nederland is een samenleving in verandering. De samenleving is veelkleuriger en diverser geworden. De nieuwe eeuw biedt nieuwe kansen en mogelijkheden. Internet brengt de wereld in de huiskamer, heeft invloed op het werken en verandert de positie van mensen als burger en als consument. De komst van de euro slecht weer een Europese barrière en is een teken van de verdere internationalisering van de economie." Met deze openingswoorden heeft het CDA direct een aantal culturele veranderingen op tafel gelegd. Maar de christen-democraten constateren dat met alle welvaart de bezorgdheid en de angst voor verlies van sociale binding toeneemt, en vragen zich af hoe dat kan worden opgelost. Ze kiezen als uitgangspunt dat in “een steeds diverser en mondiger samenleving, die oplossingen alleen gerealiseerd worden als mensen hun vrijheid en idealen in samenwerking met anderen realiseren". Dit klinkt erg communitaristisch en verbanden met partijen zoals GroenLinks zijn gemakkelijk te trekken. Steeds komt terug dat het CDA niet de markt of de overheid voorop wil stellen, maar de samenleving. Hierbij moet de overheid waardevast een hoog niveau van dienstverlening aanbieden en moet duidelijke regels handhaven.

Aan het begin van elk onderwerp wordt een schets gegeven van de ontwikkelingen van de laatste tijd en die worden gekoppeld aan de leefwereld van de burgers. “Informatietechnologie, de Europese integratie en internationalisering van de economie en sociale leefwereld stuwen de ontwikkelingen op. Mensen zijn mobieler, overbruggen grotere afstanden en maken meer eigen keuzes."

Het CDA ziet zowel de problemen als de meerwaarde van de multiculturele samenleving. “Onderscheiden levensovertuigingen en religies – mits binnen de regels van de rechtsstaat en zolang zij integratie in de Nederlandse samenleving niet in de weg staan – kunnen de Nederlandse samenleving verrijken." Verder behoort het tot de taak van de overheid om het zwakke en weerloze te beschermen. “Daarom worden er grenzen gesteld aan biotechnologie en moeten de medisch-ethische regels strikt gehandhaafd worden." Er worden dus wel woorden besteed aan de rol van de overheid, maar over de moraal van de burgers en de toegenomen keuzevrijheid houdt de partij in tegenstelling tot de linkse partijen opmerkelijk genoeg haar mond. De individuele verantwoordelijkheid (die alleen maar is toegenomen) wordt positief benaderd.

Hoe kleiner de partij, hoe groter de kritiek op de ontwikkelingen en dat gaat ook op voor de ChristenUnie, die met het verkiezingsprogramma “Durf te kiezen voor normen" meer lijkt op GroenLinks en SP in het oordeel over Paars. Naast alle welvaartsgroei is er onbalans ontstaan, de publieke ruimte is verwaarloosd en nogal wat ontwikkelingen zijn doorgeschoten. De rol van de overheid zou veel meer richtinggevend moeten zijn en het credo is niet dat zo veel mogelijk aan het individu moet worden overgelaten.

Er wordt ruim stilgestaan bij de achtergrond van globalisering en individualisering. Maar de schuld van de genoemde problemen wordt niet gelegd bij deze autonome maatschappelijke ontwikkelingen, nee, het is de paarse regering die verkeerde keuzes heeft gemaakt. “De voorspoed van paars is vooral economische voorspoed." Paars heeft als een soort Raad van Commissarissen van de BV Nederland actief bijgedragen aan de "economisering" van het land: “Belangen die niet of moeilijk in geld zijn uit te drukken, raken we uit het oog: milieu, natuur, sociale verhoudingen, de inkomensverhoudingen wereldwijd en de sociale samenhang in een multiculturele samenleving." Zo is een klimaat ontstaan waarin materialisme en consumentisme de boventoon zijn gaan voeren en “vrijwel alles wat niet te herleiden was tot economische of financiële zaken is overgelaten aan de keuzevrijheid van het individu."

Hiermee ziet ook deze de partij een verband tussen de economisering van de maatschappij en de moraal. “Gemeenschappelijke waarden rondom de inrichting van de publieke samenleving zijn naar het privé-terrein verbannen of openlijk als niet functioneel ter zijde geschoven," zegt het programma. Tolerantie is nodig in onze samenleving, maar dat betekent niet dat er geen gemeenschappelijke waarden nodig zijn, want anders wordt het moeilijk om de strijd aan te gaan tegen schadelijke ontwikkelingen. “Er is sprake van verwaarlozing van wat ons als samenleving gemeenschappelijk bindt. We hebben tegenwoordig steeds meer moeite met de verhouding tussen ieders eigen persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid aan de ene kant en de erkenning van gemeenschappelijk gedeelde waarden en normen aan de andere kant."

De Staatkundig Gereformeerde Partij is niet zozeer fel, maar wel het meest bezorgd van alle partijen. De partij staat een theocratie voor en dat maakt het “aangrijpend dat in Nederland de overheid het tegendeel bewerkstelligt. In de afgelopen jaren zijn tal van wetten aangenomen die rechtstreeks ingaan tegen de bijbelse geboden." De Paarse overheid heeft veel kapot gemaakt.

Onderliggende culturele ontwikkelingen komen uitgebreid aan de orde. Met name economische veranderingen, waardoor mensen slachtoffer zijn geworden van consumentisme. Globalisering heeft niet alleen maar positieve effecten, want er ontstaat een 7x24-uurseconomie en een grote druk op mens en milieu. “Teveel is in de achterliggende jaren de liberale visie dominant geweest. Ook marktwerkingbeleid moet uitgaan van een integrale visie, waarbij niet alleen economische efficiëntie, maar ook andere aspecten voldoende betrokken worden."

De SGP brengt bovenstaande echter steeds in verband met secularisatie. Welvaart komt boven welzijn, in een maatschappij “waarin de autonome mens zelf wel bepaalt wat goed en kwaad is en geen gezag meer accepteert". Gods wet wordt vergeten, en met spijt wordt geconstateerd dat we in de multireligieuze samenleving “niet alleen met doorgeslagen liberalisme en autonomiedenken te maken [hebben], maar ook met andere godsdiensten."

Plaatsbepaling
Uit de verkiezingsprogramma"s is al een aardige plaatsbepaling af te leiden van de verschillende politieke partijen. In sommige verkiezingsprogramma"s is vooral iets terug te vinden van het linkse communitarisme: de samenleving vercommercialiseert, de markt heeft te veel macht over de publieke ruimte. Andere partijen laten vooral morele bezwaren zien uit het kamp van de conservatieve communitaristen: belangrijke normen worden losgelaten, het vrije individualisme zorgt voor egoïsme.

Er is evenwel nog niet echt af te leiden welke liberale c.q. communitaristische uitgangspunten worden gebruikt. Ook doet het bespreken van de volle breedte van het politieke spectrum geen recht aan de verschillende vleugels en stromingen die de politieke partijen kennen en aan de doorwrochte maatschappijvisies die bedacht worden door de wetenschappelijke bureaus. Daarom wil ik graag verder inzoomen op zowel de geestelijk-culturele als de sociaal-economische gevolgen van globalisering. Dit doe ik door voor beide vraagstukken een centrale discussie te kiezen en deze vervolgens uitgebreid tegen het licht te houden van de drie grootste politieke stromingen in Nederland, te weten de sociaal-democratie, het liberalisme en de christen-democratie. Hiervoor ga ik na wat actieve leden van de PvdA, de VVD en het CDA hebben gepubliceerd op opiniepagina"s in kranten en wat er is geschreven door de wetenschappelijke bureaus, resp. de Wiardi Beckmanstichting, de Teldersstichting en het Wetenschappelijk Instituut ten tijde van de beide paarse kabinetten (tussen 1994 en 2001). Tenslotte wil ik een eigen visie ontwikkelen op de problematiek en verbanden leggen tussen de beide discussies.
{mospagebreak}7. Het debat over de neutrale overheid
Hoofdstuk 7 richt zich op de gevolgen van globalisering op geestelijk-cultureel vlak. In de Nederlandse politiek is het debat over de neutrale overheid hier een concretisering van. De politieke visies worden vergeleken, om zo te zien hoe ze staan tegenover de gevolgen van globalisering. Wat is hun oordeel hierover? Gebruiken ze liberale argumenten of juist niet?

De geestelijk-culturele dimensie in de Nederlandse politiek die centraal staat in dit hoofdstuk omvat verschillende discussies. Een centrale discussie die ten grondslag ligt aan opvattingen over de samenleving en de staatsinrichting, en waarin de meningen sterk zijn bijgesteld door de culturele veranderingen, is het debat over de neutrale overheid. Het ideaal van de neutrale overheid is een centraal principe in het liberalisme dat in de loop van het moderniseringsproces steeds verder is uitgewerkt. Onder invloed van het postmodernisme, het cultuurrelativisme en de individualisering is de roep nog sterker geworden om een overheid die zich afzijdig houdt van morele keuzes. In de jaren "90 is dit dominante paradigma echter steeds heviger bekritiseerd door communitaristen en aanverwante denkers en daarmee is het een interessante casus die aangeeft hoe verschillende politieke stromingen aankijken tegen zowel de filosofische implicaties als de praktische politieke knelpunten van globalisering, (post)moderniteit en kapitalisme.

De liberale stelling
Door de voortschrijdende schaalvergroting en individualisering is er in steeds mindere mate een overlap in wereldbeschouwing tussen burgers. Het wordt steeds moeilijker om een gezamenlijke moraal te vinden in onze pluralistische samenleving. De overheid doet steeds minder pogingen hiertoe, dat zou ook een inbreuk betekenen op het recht van vrije meningsuiting. Dit proces heeft alles te maken met modernisering en secularisatie. “The state increasingly confines itself to procedural rule-making leaving ethical decisions to the citizens themselves," constateert de socioloog De Moor in een uitgebreid Europees waardenonderzoek.

Volgens het liberalisme is dit helemaal geen probleem. Moraal is iets voor het privé-leven en de overheid had zich altijd al buiten ethische kwesties moeten houden. De staat moet voor vrijheid zorgen, wat het goede is dat is een zaak van het individu, volgens Rawls. In het private domein kunnen de belangen dan zo goed mogelijk worden afgewogen, rationeel, als op een markt. Dit geldt voor economische, maar ook voor sociale en culturele kwesties.

Al eerder is genoemd dat vanuit communitaristische hoek flinke kritiek is geleverd op deze visie. Het lijkt inderdaad moeilijk een strikte scheiding tussen een neutraal publiek domein en een privé-domein waar mensen vrij zijn, vol te houden. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld. Stel dat een Marokkaans meisje, dat op een openbare school een hoofddoekje draagt, zich erover beklaagt dat dit hoofddoekje een symbool is van de onderdrukking van de vrouw en dat ze het van haar ouders moet dragen. Dan is hier één van de belangrijkste waarden van de Nederlandse samenleving, nl. de gelijkwaardigheid van man en vrouw, in het geding, en zou het strijdig zijn met deze norm om het dragen van hoofddoekjes toe te staan. Stel echter dat een ander meisje het hoofddoekje beschouwt als een uiting van haar cultuur of religie die ze niet wil verloochenen, dan zou ze ervaren als onderdrukking wanneer ze het hoofddoekje, uit naam van neutraal onderwijs, thuis moest laten.

Het liberalisme is op zoek naar een minimale moraal, om zo neutraal mogelijk tussen verschillende bevolkingsgroepen en gemeenschappen te kunnen laveren. Maar waar moet deze minimale moraal uit bestaan, in een multiculturele en gefragmenteerde samenleving? Het liberalisme hanteert het schadebeginsel: ieder individu is vrij om te doen wat hij of zij wil zolang een ander maar niet in zijn of haar vrijheid wordt aangetast. In Hoofdstuk 5 is hier al een en ander over gezegd, maar hier volgt toch nog een illustratie om de moeilijkheid van deze stellingname te tonen. Wat moet de liberale overheid doen in het geval van vrouwenbesnijdenis? Of bij de weigering van orthodox-gereformeerden om hun kinderen in te laten enten tegen polio? De liberale overheid vindt dat de lichamelijke bescherming van het islamitische meisje respectievelijk het gereformeerde kind voorop staat, maar wanneer de overheid vrouwenbesnijdenis verbiedt en inenting tegen polio verplicht stelt, dan wordt de gemeenschappen waar het om gaat privé-rechten ontzegd die voor hen fundamenteel zijn. Het liberale motto is niet zo eenvoudig toe te passen als het lijkt en in een differentiërende multiculturele samenleving wordt het steeds moeilijker.

Normen en waarden
Bij de discussie over een overheid die al dan niet normen mag propageren, moet eerst duidelijk worden gesteld wat er in de politiek wordt verstaan onder normen en waarden, omdat de termen te pas en te onpas worden gebuikt. In de jaren "80 en "90 maakte het postmoderne relativisme een zekere bloei door. Zelfbeschikking was de hoogste waarde die er was en tolerantie stond bovenaan de agenda. Het woord normen deed denken aan vervlogen tijden waar anderen bepaalden hoe je je leven moest leiden. Langzaam maar zeker, met 11 september 2001 als grote maar niet als enige stap in deze richting, begint Nederland de woorden weer in de mond te nemen. Er wordt, ook door liberalen, geprotesteerd tegen de doorgeschoten gedoogcultuur. Maar de tendensen van globalisering en modernisering, zoals in deel I is besproken, wijzen ontegenzeggelijk op een toenemende pluralisering en individualisering, mensen willen steeds meer worden vrijgelaten.

De meeste partijen noemen wel normen die ze willen stellen en waarden die ze willen verdedigen, maar de verschillende stromingen gebruiken een eigen insteek. "Normen en waarden" is echt een containerbegrip, dat soms verwijst naar het vraagstuk van de criminaliteit en de sociale veiligheid. De waarde die hier nagestreefd wordt, is veiligheid en de norm is het strafrecht. Alle politieke partijen willen een betere criminaliteitsbestrijding, in de vorm van meer politie, snellere straffen en preventieve maatregelen. Een dieper niveau is het terrein van fatsoen en goede zeden. Fatsoen is dus niet hetzelfde als normen en waarden, fatsoen is een waarde op zich. Tenslotte kan het begrip ook betrekking hebben op de discussie over medische en ethische vraagstukken. Dit is het meest fundamentele en gevoelige niveau, waar levensbeschouwingen tegenover elkaar komen te staan.

Visie politieke stromingen
Alvorens de partijen aan het woord te laten, is het interessant om te weten wat het tweede paarse kabinet zegt over haar morele rol in de samenleving. Dat kan wellicht worden beschouwd als “paarse visie" aan de hand waarvan de andere stromingen zich positioneren. In augustus 2001 publiceerde de regering de serie "Verkenningen" met een aantal lange termijnvisies op verschillende deelgebieden. Het ministerie van Algemene Zaken schreef een visie op de veranderende rol van de overheid. Overigens is het geschreven na zeven jaar paars, na veel kritiek op het kabinet over de gebrekkige cultuurpolitiek, dus wellicht was de oorspronkelijke paarse visie wel minder gematigd.

In dit essay wordt herhaaldelijk verwezen naar de mondigheid van de huidige burger en de angst voor te veel overheidsbemoeienis, gekoppeld aan processen van differentiatie en individualisering, zoals die zijn beschreven in het eerder genoemde rapport van het SCP en het CPB. Het kabinet geeft toe daar niet omheen te kunnen, maar ziet dat ze in sommige opzichten wel te ver zijn doorgeschoten, en dat er een overheid nodig is die de samenleving beschermt tegen onaanvaardbare risico"s Op sommige punten moet de overheid weer meer richting geven, aldus het kabinet, en met name op het gebied van criminaliteit en sociale uitsluiting “wordt van de overheid allereerst richting verwacht in een beperking van negatief uitwerkende vrijheden". Dit is het eerste normatieve criterium op grond waarvan de overheid vrijheden mag inperken om het publieke domein te beschermen. Het kabinet gaat verder: “De overheid als richtinggevende instantie kan ook in normatieve zin initiatieven nemen die op deelgebieden bijdragen aan of leiden tot gewenste veranderingen in de samenleving (inkomensverantwoordelijkheid van vrouwen, homohuwelijk) of al plaatsvindende veranderingen een basis van legitimiteit bieden die verder gaat dan een persoonlijke overtuiging (euthanasiewetgeving)."

Over het algemeen staat in de "Verkenningen" echter de individuele burger centraal. De samenleving is niet meer maakbaar, maar "makelbaar". De overheid kan niets meer voorschrijven, maar wel "richting en ruimte" geven in samenspraak met de maatschappelijke partners, waarbij "resultaat en rekenschap" centraal dient te staan: het 4-R-model. Betutteling van de autonome burger is uit den boze.

Liberalen tussen libertair en conservatief
Binnen de "Volkspartij voor Vrijheid en Democratie" is altijd veel discussie geweest over dit onderwerp, doordat een sterke liberale conservatieve vleugel de nadruk legt op fatsoen en moraal. Er is in Nederland een aantal waarden waar niet aan getornd mag worden volgens deze stroming. Door opvoeding en onderwijs moet iedere Nederlander opgevoed worden in deze normen en waarden. Eén van de bekendste en actiefste pleitbezorgers hiervan is de rechtsfilosoof Paul Cliteur, voorzitter van het Humanistisch Verbond. In talloze artikelen en publicaties maakt hij korte metten met het cultuurrelativisme, dat ontkent dat Nederlandse waarden beter zouden zijn dan waarden uit andere culturen. Cliteur spreekt van "natuurrecht": iedere samenleving heeft een aantal waarden die transcultureel zijn, die absoluut nodig zijn om de maatschappij leefbaar te houden, zoals de waarheid spreken, niet doodslaan, etc. Naast dit natuurrecht ontstaat er in een samenleving ook een cultuurrecht, dat bestaat uit beginselen die de samenleving bijeen houden. In Nederland is dat bijvoorbeeld de grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ook dit cultuurrecht is belangrijk en kan niet zomaar worden weggerelativeerd. De overheid moet actief deze waarden beschermen. Cliteur ziet de mensenrechten en de waarden van de Verlichting zelfs als nieuwe "publieke moraal", na de secularisatie de grootste gemene deler van de normen en waarden van de Nederlanders.

Halverwege de jaren "90 vond er een confrontatie plaats tussen zogenaamde "ontplooiingsliberalen", die een overheid willen die kaders schept om "positieve" vrijheid te genieten, en "utilitaristisch" liberalen, die geloven dat positieve vrijheid vanzelf wel komt als de negatieve vrijheid zo groot mogelijk is, er zo min mogelijk bemoeienis is van staat of medeburgers met de eigen keuzes. In de bundel "Tussen vrijblijvendheid en paternalisme" uit 1995 van de Teldersstichting koos het wetenschappelijk bureau van de VVD de richting van het ontplooiingsliberalisme. De schrijvers zeiden daarmee ook afstand te nemen van de neutraliteitsthese van Rawls. “Klassiek liberalen gaan niet in principe uit van de wenselijkheid van een neutrale opstelling ten opzichte van concepties van het goede leven. Wil een liberale stroming bijdragen aan de ontwikkeling van tradities die voor een vrije, open samenleving van belang zijn, dan dient zij niet terug te deinzen voor het propageren van bepaalde deugden." De staat moet zorgen voor goede randvoorwaarden in de samenleving zodat de geïndividualiseerde burger eerder de neiging heeft om fatsoenlijke dingen te doen dan onfatsoenlijke dingen. De schrijvers constateerden geen moreel verval, maar wel een toename van het aantal overtredingen van de rechtsregels, een toename die is ontstaan door de combinatie van individualisering, waardoor de sociale controle af is genomen, en een postmodern relativisme. De Teldersstichting bleef wel een beetje op twee gedachten hinken. De staat mocht zich niet bemoeien met de moraal, of met het herstel van de moraal in de samenleving, maar moest wel aandacht schenken aan de omstandigheden.

VVD-voorman Bolkestein ging in diezelfde periode eigenlijk nog wat verder op de conservatieve toer. Hij beroept zich op het "klassiek" liberalisme, een derde stroming, die sterk belang hecht aan waarden zoals verdraagzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel, voor zichzelf en voor de naaste zorgen en gebruik maken van democratische rechten. Deze deugden komen de kwaliteit van de samenleving en zelfs de welvaart ten goede, daarom moet dit burgers geleerd worden, hoewel de overheid terughoudendheid past. In een ingezonden artikel vroeg hij aandacht voor de joods-christelijke wortels van het liberaal gedachtegoed en wilde hij de verwijzing hiernaar weer opnemen in het beginselprogramma. Hiermee nam hij evenals het wetenschappelijk bureau expliciet afstand van het losbollige Veronica-liberalisme, dat door Nijpels gedefinieerd werd als "gewoon jezelf zijn". In "Liberaal Reveil" werd de discussie voortgezet. "De wenselijkheid van een conservatief liberalisme in Nederland", "Heeft het liberalisme de vrijheid om te moraliseren?", "Liberaal of conservatief?" en andere artikelen met een dergelijke strekking zagen het licht. Het hoogtepunt was de oproep van Van der List om een conservatief akkoord te sluiten met de christen-democraten waarin burgermansfatsoen en "law and order" weer centraal zouden staan.

Interessant blijft nog steeds hoe breed of smal de moraal is die de overheid mag propageren. Cliteur: “Naar mijn smaak gaat het erom dat we erin slagen een nieuw seculier moreel perspectief te bieden dat voor mensen van verschillende culturele en religieuze achtergrond een oriëntatiepunt kan vormen. Bolkestein sprak van een "bezielend verband", wat ik wel een mooie poëtische term vind. Anderen spreken van een "publieke religie", waar ik geen bezwaar tegen heb, als men de religie maar niet godsdienstig inkleurt en loskoppelt van elke verwijzing naar een van de grote wereldgodsdiensten."

Een aantal vooraanstaande liberalen heeft op deze manier samen met het wetenschappelijk bureau gepoogd de partij een koerswijziging te laten doormaken. In discussies over het beginselprogramma en over het rapport van de Teldersstichting kreeg de partijtop het M-woord echter niet door de strot van haar achterban geduwd. “Als u nog één keer het woord moralisme zegt, dan gaat u hier besmeurd met pek en veren de deur uit" zo schijnt men de leiding meegegeven te hebben. Het verkiezingsprogramma 2002-2006 stelt dat er grondrechten zijn waar migranten zich aan moeten houden, maar wil expliciet geen verwijzingen naar gezamenlijke waardenbronnen geven. Met Dijkstal en Jorritsma aan het roer is het liberalisme in de VVD weer geheel pragmatisch geworden.

Christelijke publieke gerechtigheid
De christen-democratie streeft naar publieke gerechtigheid. Kort gezegd, de overheid moet zich onthouden van inmenging in puur private zaken, maar op publiek niveau meer doen dan alleen de zaak waarnemen: zij moet ook streven naar gerechtigheid. Ab Klink van het Wetenschappelijk Instituut legt uit dat er in het concept van publieke gerechtigheid veel gemeenschappelijk is met het liberalisme, namelijk het streven naar vrijheid, maar dat in christen-democratische ogen ethiek hierbij een voorwaarde is, niet een begrenzing. “De overheid moet, uit hoofde van haar taak om rechtvaardige samenlevingsverhoudingen te garanderen, normerend optreden." Het liberalisme wil vooral dat de overheid de "negatieve" vrijheid beschermt, ervoor zorgt dat de mogelijkheid tot zelfbeschikking van mensen niet wordt aangetast door andere burgers of de staat, terwijl de confessionele politiek vooral een taak ziet voor de overheid in het waarborgen van de "positieve" vrijheid, in het scheppen van mogelijkheden en kaders voor de burger om zich te kunnen ontplooien. De overheid is normerend, maar moet zich wel richten op haar eigen domein: ze moet voorwaarden scheppen, maar er is een belangrijke rol weggelegd voor gemeenschappen, voor het gezin, verenigingen, kerken, etc. Juist wanneer de democratie “atomiseert" door internationalisering, ideële versplintering en de groei aan beïnvloedingsmogelijkheden, moet de overheid de ruimte geven aan betekenisvolle verbanden en netwerken, in plaats van verder te gaan naar een steeds individueler staatsburgerschap. Dit heeft heel veel raakvlakken met het communitarisme.

Vanuit confessionele hoek wordt fel gereageerd op de ethiek van paars. “Er is kennelijk een onwil of onvermogen om de waardevragen die zich op talloze fronten aandienen in het publieke discours een rol te laten spelen", schrijft Klink. Klop wijst op de discussies over de seksuele moraal nadat in 1995 affiches waren verschenen met een halfbloot meisje dat aan een naakte man een condoom voorhield met de uitspraak: “Doe jij iets aan, dan doe ik iets uit." Toen christelijke fracties hier vragen over stelden aan minister Borst (D66) en aangaven dat de affiches huns inziens in strijd waren met het fatsoen en geen aandacht gaven aan monogamie als probaat middel tegen AIDS, verweerde minister Borst zich met een verwijzing naar de keuzevrijheid van het individu en de taak van de overheid om de burger te wijzen op de risico"s voor de volksgezondheid. “In een pluriforme maatschappij dient de overheid in haar ogen terughoudend te zijn in een oordeel over het seksueel gedrag van burgers. Dat betekent dat de campagne expliciet ingaat op vaardigheden, zoals het ter sprake brengen van veilig vrijen, het onderhandelen met een partner hierover en het in de praktijk goed kunnen omgaan met condooms", aldus de minister. Zij verwierp de oplossing van de christelijke fracties en meende dat hun moraal niet geldig was buiten het private domein. Klop beklaagt zich erover, niet zozeer dat minister Borst een andere mening over seksuele moraal heeft, maar dat zij dat doet met een beroep op neutraliteit. Terwijl haar visie op seksualiteit (losgekoppeld van liefde met de seksuele partners als onderhandelaars) een morele visie is die niet door iedereen wordt gedeeld.

In "Christen Democratische Verkenningen", het tijdschrift van het Wetenschappelijk Instituut, wordt nog veel vaker geschreven over publieke moraal, de neutrale overheid en aanverwante onderwerpen dan bij de VVD. "Normen en waarden en de rol van de overheid" (1994), "De open samenleving en haar vrienden" (1995), "De ideologische samenhang voorbij?" (1996), "Moraliteit in een vrije samenleving" (1998), enzovoorts. Ook een aantal vooraanstaande denkers binnen de partij heeft veelvuldig gewezen op het belang van normen en waarden voor de samenleving, waaronder oud-minister van Justitie Hirsch Ballin met verschillende publicaties en CDA-ideoloog Klop in zijn proefschrift "De cultuurpolitieke paradox". Dit laatste werk wordt zeer gewaardeerd door vriend en vijand. Het geeft een doorwrochte analyse van de culturele en morele rol van de overheid. Volgens Klop is er een cultuurpolitieke paradox: de overheid heeft een cultuurpolitieke taak, maar moet wel bescheiden zijn in de instrumentering hiervan en moet de verantwoordelijkheden zo veel mogelijk spreiden. De oplossing van de paradox “geeft de overheid geen leidende taak als zedenmeester, maar veronderstelt wel een optimale moraal inzake de burgerlijke betrekkingen, die verder reikt dan de minimale moraal van de negatieve vrijheid van het utilitaristische liberalisme.

Er zijn veel communitaristische noties te vinden bij het CDA, maar nog niet genoeg volgens velen. Op de vraag waarom het communitarisme in Nederland niet een nieuwe stroming is geworden, antwoordt Dekker: “Een factor is wellicht dat, afgezien van gezinsbeleid en zondagsrust, in de praktische politiek van de communitaristische begeestering van het CDA weinig te merken is." Net als bij de VVD bestaan er in het CDA ook verschillende stromingen en zit de partijtop het dichtst bij de grondslag en de wortels van het politieke gedachtegoed. Soms lijken CDA"ers meer aandacht te besteden aan de wat klassiek liberalere term "burgermansfatsoen". Zo brengt fractievoorzitter De Hoop Scheffer tijdens de Algemene Beschouwingen in 2001 in zijn bijdrage waarden en normen vooral terug tot omgangsnormen in de samenleving en de rol van onderwijs daarin: “Een gevoel van veiligheid begint met kleine zaken. Het CDA wil vanuit [de genoemde] waarden weer spreken en kunnen spreken over fatsoen, over opstaan in de tram, over geen vuil op straat gooien, over niet roken in een niet-rokerscoupé."

Liberalisme en communitarisme in de PvdA
De PvdA heeft politiek-filosofisch langzaam een verschuiving richting liberalisme gemaakt. Niet alleen zijn de "ideologische veren" uit de grondslag verdwenen, ook is te merken dat geledingen van en individuen binnen de partij toch echt liberale taal zijn gaan spreken. In 1993 kon Klop (CDA) nog hopen op een verbond met de sociaal-democratie om samen het liberalisme tegen te gaan, toen duidelijk werd dat de sociaal-economische polariteit was vervaagd en er een sterke cultuurpolitieke polariteit was ontstaan. Volgens Klop had de sociaal-democratie maatschappelijk gezien de tendens om steeds individueler en liberaler te worden, terwijl binnen de PvdA het "denken" over burgerschap en gemeenschap de andere kant op ging. Samen met het CDA zou de partij zich teweer moeten stellen tegen het utilitaristische liberalisme van de VVD.

Een tijd later, na een paar paarse jaren, zijn de rollen omgedraaid. Klop schrijft in 1998 dat het liberalisme en de sociaal-democratie steeds verder convergeren. Op cultuurpolitiek vlak is de PvdA soms nog liberaler dan de VVD. Toen door de Teldersstichting de bundel "Tussen vrijblijvendheid en paternalisme" werd opgesteld en toenadering tot het CDA werd gezocht voor een conservatief-liberaal akkoord, reageerde Becker van de sociaal-democratische Wiardi Beckmanstichting negatief over dit conservatieve element binnen de VVD. Hij hoopte dat de partij gauw weer terug zou keren naar het "rechte vrijzinnige" pad.

Het is inderdaad het liberale gezicht van de PvdA dat tijdens de laatste twee kabinetten het meest naar voren is gekomen op cultuurpolitiek vlak. De partij is wars van overheidsbemoeienis. “Het is onzin dat de overheid mag bepalen wanneer wij winkelen" zegt Arnold Heertje in "Socialisme & Democratie", en hij roept de partij op nog meer afstand te nemen van het idee dat alleen de overheid goed doet. Hij wil op zoek naar een progressieve sociaal-democratie. Ook René Cuperus, eindredacteur van S & D, wil die kant uit, zo blijkt uit zijn commentaar op de discussie binnen de VVD over de moraal. “Laat ik maar gewoon simpel paars zeggen dat wat mij betreft de Nederlandse liberalen hun kwade geweten niet behoeven te temmen. In Jorritsma, Zalm of Van Aartsen heb ik nooit amorele vrijbuiters kunnen zien, die burgermansfatsoen aan hun laars lappen en zich te buiten gaan aan losbandige vrijheid."

Binnen sociaal-democratische wetenschappelijke kring is wel interesse te bespeuren voor het communitarisme. In 1994 was zelfs een heel themanummer van S & D aan dit onderwerp gewijd. Een paar redactieleden onderzoeken hierin wat de sociaal-democratie kan leren van het communitarisme en het republikanisme. Vooral de participatie van de burgers en de aandacht voor deugden in het republikanisme valt in goede aarde bij de PvdA"ers, maar op het gebied van moraal voelen ze zich minder thuis. Wat is de noodzaak van de fundering van overheidshandelen op een bepaalde ideologie? “Is het een extra argument ten gunste van een bepaalde opvatting over economische gelijkheid als deze blijkt te steunen op de geschiedenis van het humanisme?" Bovendien staan “verschillende ontwikkelingen in de "onderbouw", zoals de globalisering van de economie, de moderne communicatiemiddelen, de grote mobiliteit van arbeid en kapitaal en de sociale mobiliteit en dynamiek die hieruit voortvloeien, in veel opzichten haaks op de door gemeenschapsdenkers en republikeinen gewenste veranderingen in normen en waardepatronen." Door een ideologie zo op het praktische nut te beoordelen, nemen ze een tamelijk relativistische en liberale positie in. Ze hebben wel fundamentele waarden die de overheid zou moeten nastreven, zoals vrijheid, gelijkheid en emancipatie, maar die zijn niet ingebed in een omvattende moraal.

Sommige artikelen nemen in de loop der jaren meer afstand van het liberalisme. "Heimwee naar het CDA", "De grenzen van de individualisering komen in zicht" (1996), "Bezwaren tegen de geest van de laatste jaren dezer eeuw" (1998), etcetera. Binnen de PvdA wordt fundamenteel verschillend gedacht over de morele rol van de overheid en over het cultuurpolitieke communitarisme. Van der List (VVD) spreekt van schizofrenie. “Nu eens spreekt een Limburgs orakel, Wöltgens, dat terugverlangt naar de gezellige processies uit zijn jeugd en daarom het communitarisme, het gemeenschapsdenken, propageert, dan weer roert zich een gedecideerde Volkskrant-columnist, Van Dam, die al zijn standpunten terugvoert op het proces van individualisering. Het betreft hier een vergaande vorm van psychische gespletenheid."

Internationaal is er de laatste jaren door sociaal-democraten ook veel gediscussieerd over dit onderwerp, in het kader van de Derde Weg tussen socialis-me en liberalisme. Zo wil de Belgische sociaal-democraat Koen Raes op zoek naar een nieuwe publieke moraal. De moderniteit heeft gemaakt dat ethiek, politiek, wetenschap en economie zijn gefragmenteerd en hierbij heeft ethiek altijd een ondergeschikte plaats ingenomen. Gelukkig komt hier weer aandacht voor! Sociaal-democraten moeten op zoek naar nieuwe verbanden, want emancipatie en solidariteit, waar ze nog steeds naar streven, zijn morele doelen. Anders glijden ze af en is het gevolg utilitaristische individuen. Het communitarisme kan dus deels van pas komen, aldus Raes. Niet het moralisme en het irrationele idee van de local community, maar wel het zoeken naar een publieke moraal.

Overige partijen
Ik heb niet systematisch alle afleveringen van de wetenschappelijke tijdschriften onderzocht bij de overige politieke partijen, maar ik geef hieronder kort hun visie weer. D66 is de meest liberale partij in geestelijk-cultureel opzicht. In een artikel in "Liberaal Reveil" vergelijkt Han Entzinger, voorzitter van de Stichting Wetenschappelijk Bureau D66, de basisprincipes van D66 en de VVD. Beide partijen nemen het individu als uitgangspunt en stellen de staat en de samenleving op de tweede plaats. Maar waar de VVD nog wel eens teruggrijpt op oude normen en waarden en op tradities, is D66 bang voor conservatisme en kan niet zeggen welke normen en waarden beter zijn. De VVD wijst op het belang van consensus en wil "buitenlanders" de Nederlandse waardevolle tradities bijbrengen. D66 “rept nergens van het vermeende belang of de waarde van de Nederlandse cultuur. Dat is een zaak van de burgers, niet van de overheid." De democraten zijn op dit terrein liberaler dan de VVD.

Het sterkste tegengeluid tegen de liberale filosofie komt van de Staatkundig Gereformeerde Partij, die een theocratie voorstaat, een overheid die Gods wet als uitgangspunt neemt voor het eigen rechtssysteem. De overheid is ingesteld door God, dus zij moet erop toezien dat de burgers zich houden aan die wet. In de staatkundig gereformeerde visie moet de overheid zich dus niet, neutraal, neerleggen bij differentiatie en relativisme, maar altijd die ene waarheid voor ogen houden. Dit betekent niet dat de SGP een politiestaat wil instellen, dat is een karikatuur, maar het wil wel zeggen dat de grondslag van de partij verre van liberaal is. Hoewel, paradoxaal genoeg, het rotsvaste geloof in één zuivere waarheid, en nog meer, dat de mens deze ene waarheid kan kennen, een heel modernistische notie is. Het is overigens tekenend voor de kloof die de laatste jaren is ontstaan tussen dergelijke waarheidsvrienden en liberalen, dat de SGP voor het eerst in 80 jaar afstand neemt van haar traditie van regeringssteunende partij. De overheid is zó ver afgedwaald dat de SGP mee zal doen met pogingen van de oppositie de regering pootje te lichten.

De ChristenUnie is wel liberaal in die zin dat de partij de liberale democratie accepteert en de theocratische gedachte afwijst. Wel zijn er bezorgde geluiden te horen over het ethisch relativisme van deze tijd. Volgens ChristenUnie-kamerlid André Rouvoet is het een hoogmoedig trekje van onze westerse beschaving om geen transcendente waarheid te accepteren en te beweren dat de mens zijn eigen waarheid maakt. Geen enkele andere beschaving heeft dat, volgens Rouvoet. Onze overheid denkt nog steeds dat morele opvattingen voor de private sfeer zijn, en dat de publieke moraal neutraal dient te zijn. Er moet weer een regering komen die in een waarheid gelooft en zich hierdoor laat inspireren bij de inrichting van de publieke ruimte. Net als bij het CDA staat publieke gerechtigheid centraal in het gedachtegoed van de ChristenUnie. Roel Kuiper, directeur van het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie, schrijft over de reacties van de politiek op zinloos geweld: “Er wordt gereageerd met verbale afkeuring, justitiële maatregelen, oproepen tot wederzijds respect, maar zelden wordt iets gezegd over waarden die samen onderhouden zouden moeten worden."

Door de linkse oppositiepartijen wordt beduidend minder geschreven over al deze filosofische en beschouwelijke onderwerpen. Toch blijkt uit Hoofdstuk 6 dat er in de concrete plannen van het verkiezingsprogramma wel iets terug te vinden is van een onderliggende positiebepaling. De Socialistische Partij valt op door in ethische kwesties eerder conservatief dan liberaal te stemmen. De partij gelooft duidelijk in een normatieve rol van de overheid:
“We kiezen principieel voor menselijke waardigheid, de gelijkwaardigheid van mensen en de solidariteit tussen mensen. Daarom verzetten we ons tegen een m
Bericht geplaatst in: artikel