KANTTEKENINGEN BIJ GLOBALISERING
Geplaatst op
15 juli 2004
door
Frank Mulder
Wat is de plaats van onze beschaving? Zal de globalisering verschillende beschavingen bij elkaar brengen of juist met elkaar laten botsen?
VoorwoordIk heb in de loop van dit onderzoek veel literatuur geraadpleegd uit de kast van geschiedenis, politicologie, economie, sociale wetenschappen, geografie en filosofie. Dit was enorm boeiend en stimulerend. Geschiedwetenschap bestaat vaak uit het boven tafel krijgen van harde feiten en gearchiveerde waarheden. Dit onderzoek was echter van een ander slag, maar evengoed historisch, doordat het zich meer richtte op het integreren van bestaande kennis. Is dit niet één van de hoofdtaken van een historicus, naast het achterhalen van concrete feiten, om kaders te scheppen, grote lijnen te ontdekken en eenheid te zoeken in bevindingen van andere wetenschappers? Politicologen kunnen veel meer zeggen over de scheiding tussen publiek en privaat dan historici, filosofen kunnen veel beter de ideeën van het postmodernisme uitleggen, geografen en economen weten veel meer over globalisering. Maar om lijnen te leggen en uitkijkposten over de materie op te bouwen, is een historicus nodig.
Ik werd geprikkeld door debatten in de internationale betrekkingen over de botsing der beschavingen, de verbreiding van de liberale democratie, theorieën over modernisering en theorieën over de kloof die het Westen zou kennen tussen postmoderne en premoderne mensen. Er verandert heel veel in de wereld. Dat denken mensen al eeuwenlang, maar feit is wel dat een aantal ontwikkelingen erg snel gaat. Ik heb dat proberen toe te spitsen op onze eigen cultuur. De ontwikkelingen bieden namelijk uitdagingen, maar ook bedreigingen voor de kwaliteit van de samenleving en de kwaliteit van de vrijheid die in ons land enorm groot is geworden.
Volgens Nietzsche, en in zijn voetspoor Fukuyama, zal de westerse mens in de liberale samenleving doelloos rondzwalken, met het beltegoed als spannendste filosofische probleem (vrij vertaald). Van verveling heb ik echter geen last gehad, zo lang ik met dit onderzoek bezig ben geweest. Bijna een jaar lang heb ik me twee dagen per week prima vermaakt met het lezen van allerlei interessante boeken en artikelen. Hopelijk kan de lezer iets van dat enthousiasme terugvinden in mijn verhaal.
Frank Mulder
Utrecht, mei 2002.
{mospagebreak}Inleiding
Two basic changes are happening today under the impact of globalisation. In the Western countries, everyday life is becoming opened up from the hold of tradition. And other societies across the world that remained more traditional are becoming detraditionalised. I take it this is at the core of the emerging global cosmopolitan society.
For increasing numbers across the world, life is no longer lived as fate - as relatively fixed and determined - authoritarian government becomes out of line with other life experiences, including the flexibility and dynamism necessary to compete in the global electronic economy."
(Anthony Giddens, 1999)
De Engelse Derde Weg-filosoof Anthony Giddens laat in bovenstaande fragmenten zien dat het dagelijks leven van mensen over de hele wereld fundamenteel verandert door het proces van globalisering. De wereld detraditionaliseert. Het politicologische debat over globalisering richt zich vooral op de positie van de staat, die steeds minder de globale economie zijn wil op kan leggen, maar globalisering gaat verder dan dat. Met de staat, dit symbool van de Verlichting, is in het tijdperk van globalisering het hele modernistische wereldbeeld aan het wankelen gebracht. Afstand en tijd zijn relatief geworden in de wereld van telecommunicatie, normen en gewoonten zijn niet meer absoluut nu verschillende samenlevingen werkelijk multicultureel worden, de idee van maakbaarheid is losgelaten nu alles met alles blijkt samen te hangen. Zomaar een paar veranderingen die door iedereen op heel verschillende manieren worden geïnterpreteerd en gewaardeerd, maar die in ieder geval verstrekkend en onomkeerbaar zijn.
Globalisering is dus meer dan de uitholling van de macht van nationale overheden aan het einde van de 20e eeuw. Globalisering is een proces dat al veel langer bezig is: het kan worden gezien als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Dit heeft gezorgd voor zowel homogenisering als differentiatie, twee processen die diep ingrijpen in onze cultuur en ons wereldbeeld. Die brede omschrijving is het uitgangspunt van dit onderzoek.
De westerse samenleving en de wereld
In de loop van de 20e eeuw is de wereld kleiner geworden en dit heeft ook zijn weerslag gehad op het denken van mensen in het Westen. Na 11 september 2001 zijn de vragen nog meer aan de orde gekomen: Wat is de plaats van onze beschaving? Is de ontwikkeling naar onze liberale waarden voor ieder land onvermijdelijk? Zal de globalisering verschillende beschavingen bij elkaar brengen of juist met elkaar laten botsen? Volgens Francis Fukuyama zullen alle samenlevingen uiteindelijk vanzelf uitkomen bij een democratische staatsvorm met een economie gebaseerd op de vrije markt. De ideeëngeschiedenis is volgens hem ten einde gekomen, men zal zich steeds meer gaan bezighouden met dagelijkse bezigheden dan met grote vraagstukken. Dit is slechts een constatering van hem, de Amerikaan ziet wel degelijk negatieve aspecten in de neoliberale democratische cultuur. In dezelfde periode is Samuel Huntington met iets heel anders op de proppen gekomen, namelijk met een confrontatievisie: er zijn op de wereld verschillende beschavingen, waarvan de Chinese, de westerse en de islamitische de krachtigste zijn, en met name de twee laatstgenoemde zullen in toenemende mate met elkaar in conflict komen.
In het licht van de globalisering is de uitkomst van deze en dergelijke debatten zeer interessant. Is globalisering inderdaad verwestersing van de hele wereld, zoals Fukuyama suggereert? Of zijn modernisering en verwestersing twee aparte processen, wat Huntington ons wil doen geloven? Beide wetenschappers gaan er bovendien van uit dat de westerse beschaving liberaal en verlicht is. Is onze samenleving echter wel zo homogeen? Jeffrey Barber vindt "McWorld", de ondemocratische commerciële globalisering, net zo gevaarlijk als de "Jihad", de traditionele fundamentalisten.
Op verschillende niveaus kunnen deze visies worden onderzocht, maar ik wil vooral een bijdrage leveren op fundamenteel niveau, op de cultuurfilosofische onderlaag. Dit onderzoek richt zich op Nederland en probeert te ontdekken wat de invloed van globalisering op onze eigen samenleving is en hoe daar op wordt gereageerd. Naar mijn mening is zo"n uitvergroting noodzakelijk voor een goede waardering van wat er nu werkelijk gebeurt met de westerse beschaving (en met de rest), zonder bij voorbaat al aan te nemen dat de wereld wel zal verwestersen door handelsliberalisering, óf juist dat culturen ongevoelig zijn voor economische processen en dat het neoliberalisme ethisch neutraal is. Een visie op de culturele grondslagen van de samenleving beïnvloedt onvermijdelijk de visie op internationale betrekkingen en moet daarom grondig ontwikkeld worden.
Kapitalisme en moderniteit
Steeds meer mensen denken: wat heeft de staat te doen behalve mijn eigendommen en leven beschermen? Hier en daar een beetje bijsturen en op de winkel passen. Politiek is ondergeschikt. Onze economische bedrijvigheid en ons gezin vinden we veel belangrijker. We kunnen op onze geïndividualiseerde wijze onze eigen kleine wereld opbouwen. Onder jongeren is de VVD mainstream geworden. Maar ook de andere politieke partijen zijn veel liberaler geworden. Die vervlakking is een vorm van amerikanisering."
(James Kennedy, 2001)
Juist bij jongeren vat het neoliberalisme zo goed post, omdat het inspeelt op korte termijngenoegens, en profiteert van een gebrekkig historisch besef."
(ON, 2001)
Is globalisering neutraal en waardevrij? Is het een ontwikkeling waarover geen normatieve uitspraken te doen zijn, omdat het slechts een natuurlijk proces is van schaalvergroting? Het heeft in ieder geval gevolgen waar sommige mensen blij mee zijn en waar andere mensen kanttekeningen bij plaatsen. In dit onderzoek wil ik de verschillende meningen in kaart brengen en de verschillende soorten kritiek uitdiepen. Dit kan namelijk bijdragen tot een beter begrip van wat er zich onder de oppervlakte afspeelt. Zoals gezegd, zie ik globalisering als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Het is niet verwonderlijk dat de pijlen van de critici zich dan ook op deze processen richten. Aan de ene kant zijn er groeperingen die vooral het kapitalisme beschuldigen. De zogenaamde "anti-globaliseringsbeweging" die toppen van de G8 en de WTO verstoort, hoort in dit rijtje thuis. Op nationaal niveau richt deze kritiek zich op de vermeende vermarkting en economisering van de samenleving.
Andere kritiek lijkt zich niet in eerste instantie op het kapitalisme te richten, maar op de moderniteit, het westerse paradigma dat zijn oorsprong heeft in de Verlichting maar intussen niet in de laatste plaats door globalisering een stuk verder is ontwikkeld. Zo heeft men ontdekt dat de rede ook niet alles kan en dat niet iedereen uitkomt op dezelfde normen en waarden. De liberale overheid probeert dit te respecteren door iedereen zo veel mogelijk de ruimte te laten het eigen geloof, de eigen religie of de eigen waarden aan te hangen. Een sympathiek streven, dat volgens vele sociologen en filosofen echter te weinig richting geeft aan de samenleving en het morele kapitaal van de cultuur uitholt.
Opbouw van dit onderzoek
Het doel van dit onderzoek is een visie te ontwikkelen op de gevolgen van globalisering en te onderzoeken welke kritiek hierop wordt gegeven. Dat doe ik door een antwoord te zoeken op de vraag: is globalisering neutraal en waardevrij? In deel I ga ik dieper in op de achtergrond hiervan. In de eerste plaats doe ik dat om een aantal ideeën en begrippen te introduceren. Ten tweede wil ik zo een beter zicht krijgen op de samenhang tussen globalisering, moderniteit en kapitalisme. Tenslotte wil ik in de literatuur vast een voorlopig antwoord zoeken op de onderzoeksvraag. Een definitief antwoord is niet mogelijk, aangezien het slechts een literatuuronderzoek betreft, met literatuur uit verschillende disciplines waarover ik geen wetenschappelijk oordeel kan geven.
In deel I probeer ik de verschillende benaderingen te bespreken en te integreren in één kader. Het aanbod aan literatuur is enorm, waardoor een zeker eclectisme onvermijdelijk is. Toch ben ik bij de afzonderlijke onderwerpen steeds begonnen met het lezen van overzichtswerken en laat ik in ieder geval representanten van het hele spectrum aan het woord, liberalen zowel als niet-liberalen en optimisten zowel als pessimisten. Zo zijn de conclusies zo objectief mogelijk. Ik zal betogen dat het politieke liberalisme in feite de politieke theorie van de moderniteit is en dus ook van de globalisering. Ik constateer enerzijds veranderingen op het terrein van cultuur en filosofie, en anderzijds veranderingen op het terrein van economie en politiek. In het laatste hoofdstuk van deel I plaats ik enige kanttekeningen bij globalisering op grond van een deel van de literatuur.
In deel II wil ik verschillende visies op globalisering onderzoeken. Dit doe ik door systematisch en omvattend de ideeën te bespreken die bestaan in politiek Nederland. Leidraad hierbij is de vraag: in hoeverre sluiten de politieke stromingen anno 2001 in Nederland zich aan bij de liberale visie dat globalisering neutraal is? Ik zal me grotendeels beperken tot de ideeën van de drie grootste politieke stromingen in Nederland, het liberalisme, de sociaal-democratie en de christen-democratie, en ik onderzoek hun benadering van globalisering vanaf het aantreden van het eerste kabinet-Kok, in 1994, tot en met 2001.
Omdat de politieke partijen niet een korte en eenduidige mening over globalisering hebben klaarliggen, zal ik me na een algemene inventarisatie van de verkiezingsprogramma"s van 2001 richten op twee concrete kwesties. Hierbij neem ik de conclusie van deel I als uitgangspunt dat zowel op geestelijk-cultureel als op sociaal-economisch vlak veranderingen optreden als gevolg van globalisering. Ik zal er voor beide gebieden een centrale kwestie uitlichten en de visies van de verschillende stromingen hierop onderzoeken. Constateren ze de veranderingen? Wat is hun visie op de rol van de overheid hierin, willen ze een sturende overheid of juist niet? Gebruiken ze liberale argumenten of niet? Tenslotte stel ik de vraag: welke relatie leggen de partijen tussen de beide gebieden? Daarmee laten ze zien wat volgens hen het verband is tussen economie en cultuur. Hieruit blijkt hun visie op de fundamenten van de liberale globalisering. Aan de hand hiervan kan ik de vraag beantwoorden of ze hier een normatieve uitspraak over durven doen, of dat ze globalisering zien als een neutraal proces dat de overheid niet actief moet stimuleren of juist tegenhouden.
De politiek geeft een concrete vertaling van het abstracte debat van deel I. Er worden verschillende antwoorden gegeven op de vraag of de nationale overheid meer of minder moet doen in het proces van globalisering. Deze antwoorden kan ik wetenschappelijk analyseren en met elkaar vergelijken. Pas in de epiloog zal ik een normatief oordeel geven.
For increasing numbers across the world, life is no longer lived as fate - as relatively fixed and determined - authoritarian government becomes out of line with other life experiences, including the flexibility and dynamism necessary to compete in the global electronic economy."
(Anthony Giddens, 1999)
De Engelse Derde Weg-filosoof Anthony Giddens laat in bovenstaande fragmenten zien dat het dagelijks leven van mensen over de hele wereld fundamenteel verandert door het proces van globalisering. De wereld detraditionaliseert. Het politicologische debat over globalisering richt zich vooral op de positie van de staat, die steeds minder de globale economie zijn wil op kan leggen, maar globalisering gaat verder dan dat. Met de staat, dit symbool van de Verlichting, is in het tijdperk van globalisering het hele modernistische wereldbeeld aan het wankelen gebracht. Afstand en tijd zijn relatief geworden in de wereld van telecommunicatie, normen en gewoonten zijn niet meer absoluut nu verschillende samenlevingen werkelijk multicultureel worden, de idee van maakbaarheid is losgelaten nu alles met alles blijkt samen te hangen. Zomaar een paar veranderingen die door iedereen op heel verschillende manieren worden geïnterpreteerd en gewaardeerd, maar die in ieder geval verstrekkend en onomkeerbaar zijn.
Globalisering is dus meer dan de uitholling van de macht van nationale overheden aan het einde van de 20e eeuw. Globalisering is een proces dat al veel langer bezig is: het kan worden gezien als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Dit heeft gezorgd voor zowel homogenisering als differentiatie, twee processen die diep ingrijpen in onze cultuur en ons wereldbeeld. Die brede omschrijving is het uitgangspunt van dit onderzoek.
De westerse samenleving en de wereld
In de loop van de 20e eeuw is de wereld kleiner geworden en dit heeft ook zijn weerslag gehad op het denken van mensen in het Westen. Na 11 september 2001 zijn de vragen nog meer aan de orde gekomen: Wat is de plaats van onze beschaving? Is de ontwikkeling naar onze liberale waarden voor ieder land onvermijdelijk? Zal de globalisering verschillende beschavingen bij elkaar brengen of juist met elkaar laten botsen? Volgens Francis Fukuyama zullen alle samenlevingen uiteindelijk vanzelf uitkomen bij een democratische staatsvorm met een economie gebaseerd op de vrije markt. De ideeëngeschiedenis is volgens hem ten einde gekomen, men zal zich steeds meer gaan bezighouden met dagelijkse bezigheden dan met grote vraagstukken. Dit is slechts een constatering van hem, de Amerikaan ziet wel degelijk negatieve aspecten in de neoliberale democratische cultuur. In dezelfde periode is Samuel Huntington met iets heel anders op de proppen gekomen, namelijk met een confrontatievisie: er zijn op de wereld verschillende beschavingen, waarvan de Chinese, de westerse en de islamitische de krachtigste zijn, en met name de twee laatstgenoemde zullen in toenemende mate met elkaar in conflict komen.
In het licht van de globalisering is de uitkomst van deze en dergelijke debatten zeer interessant. Is globalisering inderdaad verwestersing van de hele wereld, zoals Fukuyama suggereert? Of zijn modernisering en verwestersing twee aparte processen, wat Huntington ons wil doen geloven? Beide wetenschappers gaan er bovendien van uit dat de westerse beschaving liberaal en verlicht is. Is onze samenleving echter wel zo homogeen? Jeffrey Barber vindt "McWorld", de ondemocratische commerciële globalisering, net zo gevaarlijk als de "Jihad", de traditionele fundamentalisten.
Op verschillende niveaus kunnen deze visies worden onderzocht, maar ik wil vooral een bijdrage leveren op fundamenteel niveau, op de cultuurfilosofische onderlaag. Dit onderzoek richt zich op Nederland en probeert te ontdekken wat de invloed van globalisering op onze eigen samenleving is en hoe daar op wordt gereageerd. Naar mijn mening is zo"n uitvergroting noodzakelijk voor een goede waardering van wat er nu werkelijk gebeurt met de westerse beschaving (en met de rest), zonder bij voorbaat al aan te nemen dat de wereld wel zal verwestersen door handelsliberalisering, óf juist dat culturen ongevoelig zijn voor economische processen en dat het neoliberalisme ethisch neutraal is. Een visie op de culturele grondslagen van de samenleving beïnvloedt onvermijdelijk de visie op internationale betrekkingen en moet daarom grondig ontwikkeld worden.
Kapitalisme en moderniteit
Steeds meer mensen denken: wat heeft de staat te doen behalve mijn eigendommen en leven beschermen? Hier en daar een beetje bijsturen en op de winkel passen. Politiek is ondergeschikt. Onze economische bedrijvigheid en ons gezin vinden we veel belangrijker. We kunnen op onze geïndividualiseerde wijze onze eigen kleine wereld opbouwen. Onder jongeren is de VVD mainstream geworden. Maar ook de andere politieke partijen zijn veel liberaler geworden. Die vervlakking is een vorm van amerikanisering."
(James Kennedy, 2001)
Juist bij jongeren vat het neoliberalisme zo goed post, omdat het inspeelt op korte termijngenoegens, en profiteert van een gebrekkig historisch besef."
(ON, 2001)
Is globalisering neutraal en waardevrij? Is het een ontwikkeling waarover geen normatieve uitspraken te doen zijn, omdat het slechts een natuurlijk proces is van schaalvergroting? Het heeft in ieder geval gevolgen waar sommige mensen blij mee zijn en waar andere mensen kanttekeningen bij plaatsen. In dit onderzoek wil ik de verschillende meningen in kaart brengen en de verschillende soorten kritiek uitdiepen. Dit kan namelijk bijdragen tot een beter begrip van wat er zich onder de oppervlakte afspeelt. Zoals gezegd, zie ik globalisering als de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Het is niet verwonderlijk dat de pijlen van de critici zich dan ook op deze processen richten. Aan de ene kant zijn er groeperingen die vooral het kapitalisme beschuldigen. De zogenaamde "anti-globaliseringsbeweging" die toppen van de G8 en de WTO verstoort, hoort in dit rijtje thuis. Op nationaal niveau richt deze kritiek zich op de vermeende vermarkting en economisering van de samenleving.
Andere kritiek lijkt zich niet in eerste instantie op het kapitalisme te richten, maar op de moderniteit, het westerse paradigma dat zijn oorsprong heeft in de Verlichting maar intussen niet in de laatste plaats door globalisering een stuk verder is ontwikkeld. Zo heeft men ontdekt dat de rede ook niet alles kan en dat niet iedereen uitkomt op dezelfde normen en waarden. De liberale overheid probeert dit te respecteren door iedereen zo veel mogelijk de ruimte te laten het eigen geloof, de eigen religie of de eigen waarden aan te hangen. Een sympathiek streven, dat volgens vele sociologen en filosofen echter te weinig richting geeft aan de samenleving en het morele kapitaal van de cultuur uitholt.
Opbouw van dit onderzoek
Het doel van dit onderzoek is een visie te ontwikkelen op de gevolgen van globalisering en te onderzoeken welke kritiek hierop wordt gegeven. Dat doe ik door een antwoord te zoeken op de vraag: is globalisering neutraal en waardevrij? In deel I ga ik dieper in op de achtergrond hiervan. In de eerste plaats doe ik dat om een aantal ideeën en begrippen te introduceren. Ten tweede wil ik zo een beter zicht krijgen op de samenhang tussen globalisering, moderniteit en kapitalisme. Tenslotte wil ik in de literatuur vast een voorlopig antwoord zoeken op de onderzoeksvraag. Een definitief antwoord is niet mogelijk, aangezien het slechts een literatuuronderzoek betreft, met literatuur uit verschillende disciplines waarover ik geen wetenschappelijk oordeel kan geven.
In deel I probeer ik de verschillende benaderingen te bespreken en te integreren in één kader. Het aanbod aan literatuur is enorm, waardoor een zeker eclectisme onvermijdelijk is. Toch ben ik bij de afzonderlijke onderwerpen steeds begonnen met het lezen van overzichtswerken en laat ik in ieder geval representanten van het hele spectrum aan het woord, liberalen zowel als niet-liberalen en optimisten zowel als pessimisten. Zo zijn de conclusies zo objectief mogelijk. Ik zal betogen dat het politieke liberalisme in feite de politieke theorie van de moderniteit is en dus ook van de globalisering. Ik constateer enerzijds veranderingen op het terrein van cultuur en filosofie, en anderzijds veranderingen op het terrein van economie en politiek. In het laatste hoofdstuk van deel I plaats ik enige kanttekeningen bij globalisering op grond van een deel van de literatuur.
In deel II wil ik verschillende visies op globalisering onderzoeken. Dit doe ik door systematisch en omvattend de ideeën te bespreken die bestaan in politiek Nederland. Leidraad hierbij is de vraag: in hoeverre sluiten de politieke stromingen anno 2001 in Nederland zich aan bij de liberale visie dat globalisering neutraal is? Ik zal me grotendeels beperken tot de ideeën van de drie grootste politieke stromingen in Nederland, het liberalisme, de sociaal-democratie en de christen-democratie, en ik onderzoek hun benadering van globalisering vanaf het aantreden van het eerste kabinet-Kok, in 1994, tot en met 2001.
Omdat de politieke partijen niet een korte en eenduidige mening over globalisering hebben klaarliggen, zal ik me na een algemene inventarisatie van de verkiezingsprogramma"s van 2001 richten op twee concrete kwesties. Hierbij neem ik de conclusie van deel I als uitgangspunt dat zowel op geestelijk-cultureel als op sociaal-economisch vlak veranderingen optreden als gevolg van globalisering. Ik zal er voor beide gebieden een centrale kwestie uitlichten en de visies van de verschillende stromingen hierop onderzoeken. Constateren ze de veranderingen? Wat is hun visie op de rol van de overheid hierin, willen ze een sturende overheid of juist niet? Gebruiken ze liberale argumenten of niet? Tenslotte stel ik de vraag: welke relatie leggen de partijen tussen de beide gebieden? Daarmee laten ze zien wat volgens hen het verband is tussen economie en cultuur. Hieruit blijkt hun visie op de fundamenten van de liberale globalisering. Aan de hand hiervan kan ik de vraag beantwoorden of ze hier een normatieve uitspraak over durven doen, of dat ze globalisering zien als een neutraal proces dat de overheid niet actief moet stimuleren of juist tegenhouden.
De politiek geeft een concrete vertaling van het abstracte debat van deel I. Er worden verschillende antwoorden gegeven op de vraag of de nationale overheid meer of minder moet doen in het proces van globalisering. Deze antwoorden kan ik wetenschappelijk analyseren en met elkaar vergelijken. Pas in de epiloog zal ik een normatief oordeel geven.
{mospagebreak}1. Globalisering
Hoofdstuk 1 zoekt een definitie van globalisering. Het is meer dan zomaar een proces van schaalvergroting, het is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit.
Globalisering is al zo oud als de weg naar Rome. Het proces waardoor volkeren over hun grenzen heen kijken en beïnvloed worden door andere samenlevingen vond tweeduizend jaar geleden ook al plaats. Over de weg naar Rome brachten de legioenen naar eigen zeggen beschaving aan de volkeren en namen ze vreemde producten en ideeën mee naar huis.
In de loop van de 20e eeuw is de hele wereld betrokken geraakt bij dit proces van globalisering of mondialisering en de invloed ervan is veel sterker geworden dan in vroeger eeuwen. Binnen de VN is er voor het eerst in de jaren "90 expliciet aandacht aan besteed; nu is het zelfs het achterliggende hoofdthema van de Johannesburg Summit 2002, de topconferentie over duurzame ontwikkeling. Wetenschappers begonnen hun aandacht op dit proces te richten omdat men in extreme mate de gevolgen ervan in de eigen omgeving waarnam. Smith en Baylis definiëren globalisering als het proces van steeds grotere interdependentie tussen samenlevingen, waardoor gebeurtenissen in het ene deel van de wereld steeds meer effect krijgen op volken en samenlevingen aan de andere kant van de wereld. Dit geldt vooral voor de economie, maar een andere wetenschapper, Scholte, verbindt er ook duidelijk een sociaal aspect aan: globalisering bestaat volgens hem uit processen waarbij sociale relaties relatief onafhankelijk worden van afstanden en grenzen, zodat menselijke activiteiten zich meer gaan afspelen in de wereld als één enkele plaats.
Dat globalisering werkelijk plaatsvindt is overal waar te nemen. Allereerst in de economie, die meer uitstijgt boven de grenzen van de natiestaat. Nationale regeringen kunnen steeds minder invloed uitoefenen op de handel en de waarde van de nationale valuta en daarmee ook op de werkgelegenheid en de inflatie. De macht komt meer en meer te liggen bij transnationale ondernemingen en banken. De wereldpolitiek heeft er een fundamenteel ander gezicht door gekregen.
Ten tweede hebben er verschillende revoluties plaatsgevonden in de communicatie, vanaf de 19e eeuw door sneller transport tot aan het heden door internet. Afstand en grenzen lijken geen rol meer te spelen en via de satelliet is elke gebeurtenis gelijktijdig op de hele wereld te zien. Mensen uit verschillende culturen kunnen moeiteloos met elkaar in contact komen.
Ten dele als gevolg hiervan lijkt er zoiets te zijn ontstaan als een globale cultuur. Grote steden gaan steeds meer op elkaar lijken, over de hele wereld worden dezelfde films bezocht en de mode ziet er steeds meer hetzelfde uit. Jongeren luisteren naar dezelfde muziek, chatten met elkaar in het Engels en eten hetzelfde voedsel.
Kanttekeningen
Door een aantal auteurs werd globalisering jubelend beschreven als een revolutie die in no time de wereld zou veranderen. Zoals echter al is opgemerkt zijn er nogal wat kanttekeningen te maken bij de vermeende globalisering. In bepaalde aspecten was de wereldeconomie tussen 1870 en 1914 opener dan nu, handelsbarrières waren kleiner en de internationale handel was relatief belangrijker. Niet iedereen is ervan overtuigd dat alle economische activiteit zich verplaatst richting transnationaal niveau en bovendien zijn de meeste zogenaamde internationale bedrijven eigenlijk gewoon nationale ondernemingen met internationale handel.
Ook het etiket "globaal" is niet helemaal correct, want de meeste handelstransacties en ook de meeste investeringen (FDI) binnen multinationals vinden plaats tussen westerse landen, dat wil zeggen, tussen het Japanse, Amerikaanse en Europese blok. Het aandeel van het Zuiden in deze "globale" economie is de afgelopen decennia alleen maar verminderd. Wanneer men kijkt naar niet-economische factoren, bijvoorbeeld e-mail, dan kan eveneens geconcludeerd worden dat de globale cultuur buiten de Westerse samenleving nog niet erg diep doorgedrongen is.
Aan culturele diversiteit heeft de globalisering nog geen einde gemaakt, ondanks alle homogeniserende tendenzen die beschreven staan in de vakliteratuur. Integendeel, op veel plaatsen is zelfs een tegenreactie waar te nemen in de vorm van etnische, nationalistische of religieuze oplevingen.
Deze kanttekeningen bij alle glob speak nemen niet weg dat een aantal processen dat te maken heeft met modernisering een enorme versnelling heeft doorgemaakt in de twintigste eeuw. Maar het moge duidelijk zijn dat globalisering niet één drijvende kracht heeft zoals economische groei, modernisering of iets anders. Volgens Scholte is er een complexe mix van economische, politieke, culturele en psychologische krachten die elkaar versterken maar soms ook tegenwerken.
Kapitalisme en moderniteit
Lemaire wijst er op dat globalisering in veel gevallen wel een ideologische bijklank heeft gekregen. Hij onderscheidt het daarom van mondialisering. De eerste fase van de mondialisering plaatst hij in de tijd van de vroegmoderne ontdekkingsreizigers. De handel tussen verschillende continenten kwam gedurende deze periode op gang. Met de industriële revolutie en de modernisering van de economie ging de wereld de tweede mondialiseringsfase in. In de twintigste eeuw tenslotte, is de mondialisering zich met de revoluties in transport en telecommunicatie bewust geworden van zichzelf. Ongemerkt is het een ideologie geworden. Volgens Lemaire is dit proces in een kwalitatief andere fase terecht gekomen en hij geeft het om die reden een andere naam: globalisering. Het fenomeen wordt actief verbreid naar gebieden waar het nog niet is geworteld.
Veel auteurs beschrijven het proces in termen van politiek-economisch krachtenveld, hierdoor wordt globalisering immers aangedreven. Het moge echter duidelijk zijn dat globalisering meer is dan het verlies van soevereiniteit van nationale overheden aan transnationale actoren. Het grijpt in op elk terrein van de samenleving. De leefwereld van mensen dijt uit, zodat de wereld soms op een "global village" lijkt. In dit onderzoek wordt de invloed bekeken van de globalisering op de samenleving. Een definitie van globalisering die meer doet dan de symptomen beschrijven, lijkt echter moeilijk te vinden.
Schuurman heeft gepoogd het proces op zodanige wijze te beschrijven dat het de paradoxale kenmerken dekt van tegelijk voorkomende homogeniteit en heterogeniteit, van globalisering en regionalisering, etc. Volgens hem zijn deze paradoxen al aanwezig in het kapitalisme en in de moderniteit. Daarom komt hij met de volgende werkdefinitie die meer ingaat op het fundament en de grondslagen van alle genoemde veranderingen: globalisering is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Moderniteit bekijkt hij, in navolging van Giddens, vanuit vier dimensies, te weten militarisme, industrialisatie, kapitalisme en de natiestaat. Dat zijn de vier gebieden die vergeleken bij de traditionele samenleving fundamenteel anders zijn geworden. Heel lang waren deze dimensies geconcentreerd in een centrum van ontwikkelde, kapitalistische landen, maar ze hebben zich steeds verder uitgebreid vanuit steeds meer centra. Dit zorgt voor de vreemde combinaties van bijvoorbeeld homogeniteit en heterogeniteit. Kapitalisme is hierbij van bijzonder belang geweest omdat het een soort interne logica lijkt te hebben. Het moet telkens uitbreiden. Dit kan een verklaring zijn voor de verschillende globaliseringsgolven die er zijn geweest.
Nog steeds blijft deze definitie, hoe interessant ook, een beetje steken bij het economische aspect, terwijl globalisering veel dieper gaat. Een mooi voorbeeld wordt gegeven door Lemaire, die ingaat op zogenaamde delokalisering. De beleving van de ruimte is volgens hem veranderd sinds welvaart tegelijkertijd wordt beleefd met zowel goede mobiliteit als snelle communicatie. Deze combinatie versnelt het leven, ruimte wordt meer doorgangsruimte, zodat mensen innerlijk los komen van hun woonomgeving. Zo worden ook de kwalitatieve verschillen kleiner tussen verschillende plaatsen, overal verschijnen dezelfde soort winkels, snelwegen, industrieterreinen, vliegvelden, enz., terwijl bovendien de architectuur van winkels, hotels, voedselketens en luchthavens homogener wordt. Dit is door Ritzer "McDonaldization" genoemd. Recentelijk is hier nog eens de virtuele ruimte van de computer bijgekomen, waardoor voor veel mensen de band met de tastbare ruimte is verkleind.
Dus toch homogenisering? Tomlinson spreekt liever van een complexe gedeterritorialiseerde geglobaliseerde dan van een simplistische monolithische globale cultuur. Featherstone gelooft niet zo in een mondiale cultuur. De overload aan informatie is juist een van de grootste kenmerken van deze tijd, een fenomeen dat tegen een universele cultuur of een universeel geloof werkt. Het brengt juist een crisis teweeg in de autoriteit van een bepaalde wereldvisie om andere culturen te bekritiseren. Aan de andere kant, zo zegt hij, een globale cultuur is ook niet helemaal afwezig. Misschien kan het gevat worden onder de noemer van het postmodernisme, het geloof dat één bepaalde wereldvisie niet de enige juiste kan zijn. Ook binnen naties is er namelijk geen homogeniteit meer, culturele grenzen worden gemakkelijk getrokken en weer verlegd.
Nog steeds ligt er de definitie van globalisering door Schuurman, die met kapitalisme en moderniteit vooral op de economie doelde. Maar eigenlijk zijn kapitalisme en moderniteit ook de twee belangrijkste motoren voor de niet-economische veranderingen in de cultuur. Zowel McDonaldization (Ritzer) als postmodernisme (Featherstone), processen waar het volgende hoofdstuk nog op terugkomt, zijn een gevolg van de combinatie van deze twee fenomenen en ze kenmerken zich ook door homogenisering en fragmentatie. Dat is de reden dat ik als uitgangspunt van dit onderzoek toch de volgende definitie neem: globalisering is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Met moderniteit bedoel ik dan evengoed de ideeën die uit de moderniteit zijn voortgekomen. Daar zal het volgende hoofdstuk dieper op ingaan.
Hoofdstuk 1 zoekt een definitie van globalisering. Het is meer dan zomaar een proces van schaalvergroting, het is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit.
Globalisering is al zo oud als de weg naar Rome. Het proces waardoor volkeren over hun grenzen heen kijken en beïnvloed worden door andere samenlevingen vond tweeduizend jaar geleden ook al plaats. Over de weg naar Rome brachten de legioenen naar eigen zeggen beschaving aan de volkeren en namen ze vreemde producten en ideeën mee naar huis.
In de loop van de 20e eeuw is de hele wereld betrokken geraakt bij dit proces van globalisering of mondialisering en de invloed ervan is veel sterker geworden dan in vroeger eeuwen. Binnen de VN is er voor het eerst in de jaren "90 expliciet aandacht aan besteed; nu is het zelfs het achterliggende hoofdthema van de Johannesburg Summit 2002, de topconferentie over duurzame ontwikkeling. Wetenschappers begonnen hun aandacht op dit proces te richten omdat men in extreme mate de gevolgen ervan in de eigen omgeving waarnam. Smith en Baylis definiëren globalisering als het proces van steeds grotere interdependentie tussen samenlevingen, waardoor gebeurtenissen in het ene deel van de wereld steeds meer effect krijgen op volken en samenlevingen aan de andere kant van de wereld. Dit geldt vooral voor de economie, maar een andere wetenschapper, Scholte, verbindt er ook duidelijk een sociaal aspect aan: globalisering bestaat volgens hem uit processen waarbij sociale relaties relatief onafhankelijk worden van afstanden en grenzen, zodat menselijke activiteiten zich meer gaan afspelen in de wereld als één enkele plaats.
Dat globalisering werkelijk plaatsvindt is overal waar te nemen. Allereerst in de economie, die meer uitstijgt boven de grenzen van de natiestaat. Nationale regeringen kunnen steeds minder invloed uitoefenen op de handel en de waarde van de nationale valuta en daarmee ook op de werkgelegenheid en de inflatie. De macht komt meer en meer te liggen bij transnationale ondernemingen en banken. De wereldpolitiek heeft er een fundamenteel ander gezicht door gekregen.
Ten tweede hebben er verschillende revoluties plaatsgevonden in de communicatie, vanaf de 19e eeuw door sneller transport tot aan het heden door internet. Afstand en grenzen lijken geen rol meer te spelen en via de satelliet is elke gebeurtenis gelijktijdig op de hele wereld te zien. Mensen uit verschillende culturen kunnen moeiteloos met elkaar in contact komen.
Ten dele als gevolg hiervan lijkt er zoiets te zijn ontstaan als een globale cultuur. Grote steden gaan steeds meer op elkaar lijken, over de hele wereld worden dezelfde films bezocht en de mode ziet er steeds meer hetzelfde uit. Jongeren luisteren naar dezelfde muziek, chatten met elkaar in het Engels en eten hetzelfde voedsel.
Kanttekeningen
Door een aantal auteurs werd globalisering jubelend beschreven als een revolutie die in no time de wereld zou veranderen. Zoals echter al is opgemerkt zijn er nogal wat kanttekeningen te maken bij de vermeende globalisering. In bepaalde aspecten was de wereldeconomie tussen 1870 en 1914 opener dan nu, handelsbarrières waren kleiner en de internationale handel was relatief belangrijker. Niet iedereen is ervan overtuigd dat alle economische activiteit zich verplaatst richting transnationaal niveau en bovendien zijn de meeste zogenaamde internationale bedrijven eigenlijk gewoon nationale ondernemingen met internationale handel.
Ook het etiket "globaal" is niet helemaal correct, want de meeste handelstransacties en ook de meeste investeringen (FDI) binnen multinationals vinden plaats tussen westerse landen, dat wil zeggen, tussen het Japanse, Amerikaanse en Europese blok. Het aandeel van het Zuiden in deze "globale" economie is de afgelopen decennia alleen maar verminderd. Wanneer men kijkt naar niet-economische factoren, bijvoorbeeld e-mail, dan kan eveneens geconcludeerd worden dat de globale cultuur buiten de Westerse samenleving nog niet erg diep doorgedrongen is.
Aan culturele diversiteit heeft de globalisering nog geen einde gemaakt, ondanks alle homogeniserende tendenzen die beschreven staan in de vakliteratuur. Integendeel, op veel plaatsen is zelfs een tegenreactie waar te nemen in de vorm van etnische, nationalistische of religieuze oplevingen.
Deze kanttekeningen bij alle glob speak nemen niet weg dat een aantal processen dat te maken heeft met modernisering een enorme versnelling heeft doorgemaakt in de twintigste eeuw. Maar het moge duidelijk zijn dat globalisering niet één drijvende kracht heeft zoals economische groei, modernisering of iets anders. Volgens Scholte is er een complexe mix van economische, politieke, culturele en psychologische krachten die elkaar versterken maar soms ook tegenwerken.
Kapitalisme en moderniteit
Lemaire wijst er op dat globalisering in veel gevallen wel een ideologische bijklank heeft gekregen. Hij onderscheidt het daarom van mondialisering. De eerste fase van de mondialisering plaatst hij in de tijd van de vroegmoderne ontdekkingsreizigers. De handel tussen verschillende continenten kwam gedurende deze periode op gang. Met de industriële revolutie en de modernisering van de economie ging de wereld de tweede mondialiseringsfase in. In de twintigste eeuw tenslotte, is de mondialisering zich met de revoluties in transport en telecommunicatie bewust geworden van zichzelf. Ongemerkt is het een ideologie geworden. Volgens Lemaire is dit proces in een kwalitatief andere fase terecht gekomen en hij geeft het om die reden een andere naam: globalisering. Het fenomeen wordt actief verbreid naar gebieden waar het nog niet is geworteld.
Veel auteurs beschrijven het proces in termen van politiek-economisch krachtenveld, hierdoor wordt globalisering immers aangedreven. Het moge echter duidelijk zijn dat globalisering meer is dan het verlies van soevereiniteit van nationale overheden aan transnationale actoren. Het grijpt in op elk terrein van de samenleving. De leefwereld van mensen dijt uit, zodat de wereld soms op een "global village" lijkt. In dit onderzoek wordt de invloed bekeken van de globalisering op de samenleving. Een definitie van globalisering die meer doet dan de symptomen beschrijven, lijkt echter moeilijk te vinden.
Schuurman heeft gepoogd het proces op zodanige wijze te beschrijven dat het de paradoxale kenmerken dekt van tegelijk voorkomende homogeniteit en heterogeniteit, van globalisering en regionalisering, etc. Volgens hem zijn deze paradoxen al aanwezig in het kapitalisme en in de moderniteit. Daarom komt hij met de volgende werkdefinitie die meer ingaat op het fundament en de grondslagen van alle genoemde veranderingen: globalisering is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Moderniteit bekijkt hij, in navolging van Giddens, vanuit vier dimensies, te weten militarisme, industrialisatie, kapitalisme en de natiestaat. Dat zijn de vier gebieden die vergeleken bij de traditionele samenleving fundamenteel anders zijn geworden. Heel lang waren deze dimensies geconcentreerd in een centrum van ontwikkelde, kapitalistische landen, maar ze hebben zich steeds verder uitgebreid vanuit steeds meer centra. Dit zorgt voor de vreemde combinaties van bijvoorbeeld homogeniteit en heterogeniteit. Kapitalisme is hierbij van bijzonder belang geweest omdat het een soort interne logica lijkt te hebben. Het moet telkens uitbreiden. Dit kan een verklaring zijn voor de verschillende globaliseringsgolven die er zijn geweest.
Nog steeds blijft deze definitie, hoe interessant ook, een beetje steken bij het economische aspect, terwijl globalisering veel dieper gaat. Een mooi voorbeeld wordt gegeven door Lemaire, die ingaat op zogenaamde delokalisering. De beleving van de ruimte is volgens hem veranderd sinds welvaart tegelijkertijd wordt beleefd met zowel goede mobiliteit als snelle communicatie. Deze combinatie versnelt het leven, ruimte wordt meer doorgangsruimte, zodat mensen innerlijk los komen van hun woonomgeving. Zo worden ook de kwalitatieve verschillen kleiner tussen verschillende plaatsen, overal verschijnen dezelfde soort winkels, snelwegen, industrieterreinen, vliegvelden, enz., terwijl bovendien de architectuur van winkels, hotels, voedselketens en luchthavens homogener wordt. Dit is door Ritzer "McDonaldization" genoemd. Recentelijk is hier nog eens de virtuele ruimte van de computer bijgekomen, waardoor voor veel mensen de band met de tastbare ruimte is verkleind.
Dus toch homogenisering? Tomlinson spreekt liever van een complexe gedeterritorialiseerde geglobaliseerde dan van een simplistische monolithische globale cultuur. Featherstone gelooft niet zo in een mondiale cultuur. De overload aan informatie is juist een van de grootste kenmerken van deze tijd, een fenomeen dat tegen een universele cultuur of een universeel geloof werkt. Het brengt juist een crisis teweeg in de autoriteit van een bepaalde wereldvisie om andere culturen te bekritiseren. Aan de andere kant, zo zegt hij, een globale cultuur is ook niet helemaal afwezig. Misschien kan het gevat worden onder de noemer van het postmodernisme, het geloof dat één bepaalde wereldvisie niet de enige juiste kan zijn. Ook binnen naties is er namelijk geen homogeniteit meer, culturele grenzen worden gemakkelijk getrokken en weer verlegd.
Nog steeds ligt er de definitie van globalisering door Schuurman, die met kapitalisme en moderniteit vooral op de economie doelde. Maar eigenlijk zijn kapitalisme en moderniteit ook de twee belangrijkste motoren voor de niet-economische veranderingen in de cultuur. Zowel McDonaldization (Ritzer) als postmodernisme (Featherstone), processen waar het volgende hoofdstuk nog op terugkomt, zijn een gevolg van de combinatie van deze twee fenomenen en ze kenmerken zich ook door homogenisering en fragmentatie. Dat is de reden dat ik als uitgangspunt van dit onderzoek toch de volgende definitie neem: globalisering is de mondiale verschijningsvorm van kapitalisme en moderniteit. Met moderniteit bedoel ik dan evengoed de ideeën die uit de moderniteit zijn voortgekomen. Daar zal het volgende hoofdstuk dieper op ingaan.
{mospagebreak}2. (Post)moderniteit
Hoofdstuk 2 richt zich op de wortels van de moderniteit. De postmoderniteit is hiervan een late fase, waarin fragmentatie en vervlakking centrale elementen zijn.
Een concept dat van wezenlijk belang is voor het analyseren van de invloed van globalisering is de postmoderniteit. Moderniteit (en daarmee ook de laat-, hoog- of postmoderniteit) is volgens de definitie uit Hoofdstuk 2 een aspect van globalisering. Dit hoofdstuk geeft een historische achtergrond van dit veelomvattende, uitbundig bejubelde en fel bekritiseerde begrip.
De term postmoderniteit is een verzamelnaam voor allerlei veranderingen die plaats hebben gevonden in de moderne westerse beschaving, in zowel het denken als het dagelijkse leven. Eigenlijk is het enige gemeenschappelijke kenmerk van alle hokjes die het etiket postmodernisme opgeplakt hebben gekregen, dat ze breken met bepaalde elementen uit de moderne tijd. Ik zie postmodernisme als een "isme", een bepaalde stroming in onder meer de filosofie. Postmoderniteit is meer de toestand waarin de moderne samenleving zich bevind. Die is niet postmodernistisch, maar wel postmodern. Dit hoofdstuk probeert een schets te geven van de fundamentele veranderingen die hebben plaats gevonden in het menselijk denken van de 20e eeuw. Daarvoor moet worden begonnen bij de moderniteit.
Moderniteit
De tijd van de Verlichting wordt de Moderne Tijd genoemd. Er werd voortgebouwd op de radicaal nieuwe weg die de filosofie en daarmee de wetenschap in de 17e eeuw was ingeslagen onder aanvoering van Francis Bacon en René Descartes. Zij hadden aangetoond dat alleen door middel van ervaring en door goed gebruik van de Rede waarheid gevonden kan worden en de wereld beter gemaakt.
Met de 18e-eeuwse Verlichting veranderde de hele westerse maatschappij. De techniek en de economie werden autonome subsystemen waarbinnen de Rede de regels en criteria moest bepalen. Het succes bleek verbluffend: de technologische kennis ging met sprongen vooruit, de economie bleek te groeien als haar maar op rationele wijze geen beperkingen in de weg gelegd werden, arbeid werd minder moeizaam, er ontstond voor iedereen meer vrijheid, enzovoorts. Hierin lag de rechtvaardiging van de Verlichting, de richtinggevende ideeën waren immers vrijheid, gelijkheid, autonomie, democratie, gerechtigheid, tolerantie en vooruitgang. Kortom, bevordering van humaniteit.
Wetenschappelijke, economische, politieke, religieuze en familiale normen en waarden gingen wel steeds meer uiteen lopen. De werkelijkheid werd meer en meer benaderd in termen van doel en middel, waarbij de doeleinden vooral werden afgewogen op grond van hun nuttigheid, de zogenaamde functionele of instrumentele rationaliteit. Dit ging volgens Weber ten koste van de inhoudelijke rationaliteit, de substantiële rationaliteit. Het geloof in vooruitgang, op welk terrein ook, kende geen grenzen. Met goed gebruik van de rede, zonder de beperkingen die de kerk altijd had opgelegd, zou een goede toekomst onvermijdelijk zijn. Francis Bacon wilde zelfs dat de mens de schepping ging herinrichten en het paradijs zou gaan herstellen. Deze superieure westerse ideeën moesten voor de hele wereld een voorbeeld zijn.
In de kentheorie vond een "kanteling" van het wereldbeeld plaats. Orde werd niet meer buiten de mens gevonden, maar door de mens gemaakt, met behulp van de zuivere rede en de empirie. Deze cartesiaanse revolutie had uiteindelijk zijn weerslag op bijvoorbeeld de ethiek: het morele oriëntatiepunt van de mens was niet meer transcendent gegeven, maar was immanent aanwezig. Dit ging nog verder: volgens Immanuel Kant was de morele wet niet eens te vinden in de omgeving, maar in het innerlijk.
Donkere wolken boven de Verlichting
Bovenstaande kenmerken geven een schets van de zogenaamde moderniteit, het stelsel van optimistische ideeën en idealen dat zijn oorsprong had in de Verlichting. Al bij Immanuel Kant was echter een onderscheid te zien tussen het ideaal en de eindige werkelijkheid. De Rede is machtig, maar er zijn praktische grenzen. Bovendien gaf de Duitse filosoof het ideaal van wetenschappelijke objectiviteit en zekerheid een knauw door een aantal "objectieve" waarnemingen zoals tijd en ruimte te "reduceren" tot menselijke categorieën. In de eeuw na hem, de 19e eeuw, werden langzaam maar zeker donkere wolken zichtbaar boven het vooruitgangsoptimisme.
Hegel wilde verder komen waar Kant was opgehouden. Voor hem stond heel de geschiedenis in het teken van een vooruitgang naar toenemende universaliteit en ultieme vrijheid. Zijn poging om dit te vangen in een filosofisch stelsel was het toppunt van modernisme. Marx zag dat er een revolutie nodig was om het paradijs te bereiken, maar ook hij was nog een modernistisch denker die op zijn manier het grote verhaal van vooruitgang overnam en doorvertelde. Door de invloed van economische factoren op het menselijk handelen te benadrukken, knaagde hij echter wel aan de modernistische idee van menselijke autonomie.
Nietzsche was de eerste grote criticus van het universalisme. De wil tot waarheid is gewoon verkapte wil tot macht; de mens is helemaal niet autonoom. Met hun universalistische perspectieven proberen al die denkers en politici de werkelijkheid glad te strijken. Het streven naar gelijkheid heeft een nieuwe mensensoort geschapen, de mens van de toekomst, de laatste mens, die warmte zoekt en aangenaam wil leven. Dat is alles waar het project der moderniteit op uitloopt: de aarde is klein geworden en daarop huppelt de laatste mens.
Einde van de grote verhalen
De Verlichting en de maatschappij die er uit voortkwam zijn nooit onomstreden geweest, maar de soms forse kritiek bleef lang marginaal. Hieraan kwam een eind de 20e eeuw. De eerste grote psychologische deuk die de samenleving opliep, was de ellende in de loopgraven van de Great War". De oorlog was massaal en irrationeel, dit sloeg grote wonden. In de eerste helft van de eeuw was in de kunst en de architectuur te zien dat het ideaal van maakbaarheid langzaam maar zeker werd losgelaten. Irrationaliteit voerde de boventoon. In stromingen zoals Picasso"s kubisme werd zelfs de zoektocht naar schoonheid en waarheid opgegeven. Kenmerken hiervan zijn ook terug te vinden in de literatuur: in het modernisme, niet te verwarring met het Verlichtingsmodernisme, stond het failliet van idealen centraal en de verbrokkeling van de werkelijkheid.
Na de Tweede Wereldoorlog was het in de filosofie definitief gedaan met het optimisme in de filosofie. De mensheid zag een afschuwelijke vernietiging van 6 miljoen joden in een technisch en logistiek perfecte operatie. Rationaliteit ten top met absurd irrationele gevolgen. De idealistische aanhangers van Marx en Lenin zagen het communisme ontsporen in de verslagen van Solzjenitsin. De kritiek op de moderniteit verschoof hiermee naar het centrum van het maatschappelijk bewustzijn. Belangrijke denkers in dit verband waren Horkheimer en Adorno met hun beroemde "Dialektik der Aufklärung", een gitzwarte schets van de gevolgen van de Verlichting. Al meteen na de oorlog werden vraagtekens gezet bij het bestaan van God na Auschwitz, maar nu werd het vraagstuk verbreed naar de westerse beschaving in haar geheel.
De Franse filosoof Lyotard heeft goed duidelijk gemaakt wat de twintigste eeuw heeft voortgebracht: het einde van de grote verhalen. In "La condition postmoderne" (1979) legt hij uit dat dit het kernpunt is van het postmodernisme. Er is volgens hem een verschil tussen wetenschappelijk en narratief weten. Het wetenschappelijk weten kan zichzelf niet rechtvaardigen. Alleen het laatste, in de vorm van verhalen, kan kennis samenhang en richting geven, want verhalen geven zin, aldus de Fransman. Eigenlijk is wetenschappelijke kennis, zonder dat de wetenschap dat wil toegeven, ook gebaseerd op verhalen, maar wel op "grands récits", zogenaamde "metavertellingen", namelijk op Beschaving, Vrijheid, Emancipatie, Arbeid, Universele Geschiedenis, etc. En de 20e eeuw heeft volgens Lyotard afdoende het failliet van metavertellingen aangetoond: Auschwitz 1943-45, Berlijn 1953, Boedapest 1956, Praag 1968, Polen 1980. Na het einde van de Koude Oorlog is na het christendom en de Verlichting uiteindelijk ook het communisme een metaverhaal gebleken die niet de waarheid bezat.
Postmoderne filosofen
De hierboven geschetste veranderingen in het denken over maatschappij en politiek sloten opmerkelijk goed aan bij ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie. Na de Tweede Wereldoorlog was er een felle reactie op gang gekomen tegen het modernistische logisch positivisme van de jaren "30. Popper begon de relativering door te beweren dat verificatie van theorieën helemaal niet mogelijk is, alleen falsificatie, en Kuhn ontwikkelde een nieuwe kijk op wetenschap waarbij kennis niet lineair toenam, maar discontinu. Hij toonde met voorbeelden aan dat verschillende paradigma"s elkaar opvolgden en niet uit elkaar verklaarbaar waren. Wittgenstein zag wetenschap als een taalspel dat tot een verschillend zicht op de werkelijkheid leidt.
Jongere filosofen gingen over tot een radicalere verwerping van de Verlichting en op hen wordt veelal het etiket postmodern geplakt. Zij gaven de grootste en meest fundamentele kritiek op het rationalisme die er sinds de 17e eeuw is geweest. Hun visies zijn moeilijk samen te vatten, maar Jacques Derrida laat het idee los dat taal de objectieve werkelijkheid kan representeren. Hij gaat zelfs nog verder, er bestaat dientengevolge ook niet meer zoiets als een objectieve werkelijkheid. Een andere postmoderne filosoof, Michel Foucault, ontmaskerde de taal als machtsspel.
De nog immer actieve filosoof Richard Rorty gelooft niet in een relatie tussen wetenschap en werkelijkheid. Hij verzet zich tegen de gedachte dat de waarheid van uitspraken of gedachten verankerd is in de werkelijkheid zelf. Waarheid is een eigenschap van taal en taal is iets van mensen, dat heeft niets te maken met werkelijkheid. Taal en waarheid worden niet gevonden maar gemaakt, ze zijn contingent. Een centraal woord bij Rorty is "ironie": de intellectuele houding van het erkennen van de contingentie van alles zonder in het dagelijks leven meteen niets meer belangrijk te vinden. Rorty heeft wel een grote waarde, maar dat is niet de Waarheid, of het Goede, maar Vrijheid. Het moge duidelijk zijn dat ook het geloof in God niet serieus genomen wordt door postmoderne filosofen. Geen enkel absoluut gegeven buiten onze waarneming, zelfs de Rede niet, wordt erkend.
Hoofdstuk 2 richt zich op de wortels van de moderniteit. De postmoderniteit is hiervan een late fase, waarin fragmentatie en vervlakking centrale elementen zijn.
Een concept dat van wezenlijk belang is voor het analyseren van de invloed van globalisering is de postmoderniteit. Moderniteit (en daarmee ook de laat-, hoog- of postmoderniteit) is volgens de definitie uit Hoofdstuk 2 een aspect van globalisering. Dit hoofdstuk geeft een historische achtergrond van dit veelomvattende, uitbundig bejubelde en fel bekritiseerde begrip.
De term postmoderniteit is een verzamelnaam voor allerlei veranderingen die plaats hebben gevonden in de moderne westerse beschaving, in zowel het denken als het dagelijkse leven. Eigenlijk is het enige gemeenschappelijke kenmerk van alle hokjes die het etiket postmodernisme opgeplakt hebben gekregen, dat ze breken met bepaalde elementen uit de moderne tijd. Ik zie postmodernisme als een "isme", een bepaalde stroming in onder meer de filosofie. Postmoderniteit is meer de toestand waarin de moderne samenleving zich bevind. Die is niet postmodernistisch, maar wel postmodern. Dit hoofdstuk probeert een schets te geven van de fundamentele veranderingen die hebben plaats gevonden in het menselijk denken van de 20e eeuw. Daarvoor moet worden begonnen bij de moderniteit.
Moderniteit
De tijd van de Verlichting wordt de Moderne Tijd genoemd. Er werd voortgebouwd op de radicaal nieuwe weg die de filosofie en daarmee de wetenschap in de 17e eeuw was ingeslagen onder aanvoering van Francis Bacon en René Descartes. Zij hadden aangetoond dat alleen door middel van ervaring en door goed gebruik van de Rede waarheid gevonden kan worden en de wereld beter gemaakt.
Met de 18e-eeuwse Verlichting veranderde de hele westerse maatschappij. De techniek en de economie werden autonome subsystemen waarbinnen de Rede de regels en criteria moest bepalen. Het succes bleek verbluffend: de technologische kennis ging met sprongen vooruit, de economie bleek te groeien als haar maar op rationele wijze geen beperkingen in de weg gelegd werden, arbeid werd minder moeizaam, er ontstond voor iedereen meer vrijheid, enzovoorts. Hierin lag de rechtvaardiging van de Verlichting, de richtinggevende ideeën waren immers vrijheid, gelijkheid, autonomie, democratie, gerechtigheid, tolerantie en vooruitgang. Kortom, bevordering van humaniteit.
Wetenschappelijke, economische, politieke, religieuze en familiale normen en waarden gingen wel steeds meer uiteen lopen. De werkelijkheid werd meer en meer benaderd in termen van doel en middel, waarbij de doeleinden vooral werden afgewogen op grond van hun nuttigheid, de zogenaamde functionele of instrumentele rationaliteit. Dit ging volgens Weber ten koste van de inhoudelijke rationaliteit, de substantiële rationaliteit. Het geloof in vooruitgang, op welk terrein ook, kende geen grenzen. Met goed gebruik van de rede, zonder de beperkingen die de kerk altijd had opgelegd, zou een goede toekomst onvermijdelijk zijn. Francis Bacon wilde zelfs dat de mens de schepping ging herinrichten en het paradijs zou gaan herstellen. Deze superieure westerse ideeën moesten voor de hele wereld een voorbeeld zijn.
In de kentheorie vond een "kanteling" van het wereldbeeld plaats. Orde werd niet meer buiten de mens gevonden, maar door de mens gemaakt, met behulp van de zuivere rede en de empirie. Deze cartesiaanse revolutie had uiteindelijk zijn weerslag op bijvoorbeeld de ethiek: het morele oriëntatiepunt van de mens was niet meer transcendent gegeven, maar was immanent aanwezig. Dit ging nog verder: volgens Immanuel Kant was de morele wet niet eens te vinden in de omgeving, maar in het innerlijk.
Donkere wolken boven de Verlichting
Bovenstaande kenmerken geven een schets van de zogenaamde moderniteit, het stelsel van optimistische ideeën en idealen dat zijn oorsprong had in de Verlichting. Al bij Immanuel Kant was echter een onderscheid te zien tussen het ideaal en de eindige werkelijkheid. De Rede is machtig, maar er zijn praktische grenzen. Bovendien gaf de Duitse filosoof het ideaal van wetenschappelijke objectiviteit en zekerheid een knauw door een aantal "objectieve" waarnemingen zoals tijd en ruimte te "reduceren" tot menselijke categorieën. In de eeuw na hem, de 19e eeuw, werden langzaam maar zeker donkere wolken zichtbaar boven het vooruitgangsoptimisme.
Hegel wilde verder komen waar Kant was opgehouden. Voor hem stond heel de geschiedenis in het teken van een vooruitgang naar toenemende universaliteit en ultieme vrijheid. Zijn poging om dit te vangen in een filosofisch stelsel was het toppunt van modernisme. Marx zag dat er een revolutie nodig was om het paradijs te bereiken, maar ook hij was nog een modernistisch denker die op zijn manier het grote verhaal van vooruitgang overnam en doorvertelde. Door de invloed van economische factoren op het menselijk handelen te benadrukken, knaagde hij echter wel aan de modernistische idee van menselijke autonomie.
Nietzsche was de eerste grote criticus van het universalisme. De wil tot waarheid is gewoon verkapte wil tot macht; de mens is helemaal niet autonoom. Met hun universalistische perspectieven proberen al die denkers en politici de werkelijkheid glad te strijken. Het streven naar gelijkheid heeft een nieuwe mensensoort geschapen, de mens van de toekomst, de laatste mens, die warmte zoekt en aangenaam wil leven. Dat is alles waar het project der moderniteit op uitloopt: de aarde is klein geworden en daarop huppelt de laatste mens.
Einde van de grote verhalen
De Verlichting en de maatschappij die er uit voortkwam zijn nooit onomstreden geweest, maar de soms forse kritiek bleef lang marginaal. Hieraan kwam een eind de 20e eeuw. De eerste grote psychologische deuk die de samenleving opliep, was de ellende in de loopgraven van de Great War". De oorlog was massaal en irrationeel, dit sloeg grote wonden. In de eerste helft van de eeuw was in de kunst en de architectuur te zien dat het ideaal van maakbaarheid langzaam maar zeker werd losgelaten. Irrationaliteit voerde de boventoon. In stromingen zoals Picasso"s kubisme werd zelfs de zoektocht naar schoonheid en waarheid opgegeven. Kenmerken hiervan zijn ook terug te vinden in de literatuur: in het modernisme, niet te verwarring met het Verlichtingsmodernisme, stond het failliet van idealen centraal en de verbrokkeling van de werkelijkheid.
Na de Tweede Wereldoorlog was het in de filosofie definitief gedaan met het optimisme in de filosofie. De mensheid zag een afschuwelijke vernietiging van 6 miljoen joden in een technisch en logistiek perfecte operatie. Rationaliteit ten top met absurd irrationele gevolgen. De idealistische aanhangers van Marx en Lenin zagen het communisme ontsporen in de verslagen van Solzjenitsin. De kritiek op de moderniteit verschoof hiermee naar het centrum van het maatschappelijk bewustzijn. Belangrijke denkers in dit verband waren Horkheimer en Adorno met hun beroemde "Dialektik der Aufklärung", een gitzwarte schets van de gevolgen van de Verlichting. Al meteen na de oorlog werden vraagtekens gezet bij het bestaan van God na Auschwitz, maar nu werd het vraagstuk verbreed naar de westerse beschaving in haar geheel.
De Franse filosoof Lyotard heeft goed duidelijk gemaakt wat de twintigste eeuw heeft voortgebracht: het einde van de grote verhalen. In "La condition postmoderne" (1979) legt hij uit dat dit het kernpunt is van het postmodernisme. Er is volgens hem een verschil tussen wetenschappelijk en narratief weten. Het wetenschappelijk weten kan zichzelf niet rechtvaardigen. Alleen het laatste, in de vorm van verhalen, kan kennis samenhang en richting geven, want verhalen geven zin, aldus de Fransman. Eigenlijk is wetenschappelijke kennis, zonder dat de wetenschap dat wil toegeven, ook gebaseerd op verhalen, maar wel op "grands récits", zogenaamde "metavertellingen", namelijk op Beschaving, Vrijheid, Emancipatie, Arbeid, Universele Geschiedenis, etc. En de 20e eeuw heeft volgens Lyotard afdoende het failliet van metavertellingen aangetoond: Auschwitz 1943-45, Berlijn 1953, Boedapest 1956, Praag 1968, Polen 1980. Na het einde van de Koude Oorlog is na het christendom en de Verlichting uiteindelijk ook het communisme een metaverhaal gebleken die niet de waarheid bezat.
Postmoderne filosofen
De hierboven geschetste veranderingen in het denken over maatschappij en politiek sloten opmerkelijk goed aan bij ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie. Na de Tweede Wereldoorlog was er een felle reactie op gang gekomen tegen het modernistische logisch positivisme van de jaren "30. Popper begon de relativering door te beweren dat verificatie van theorieën helemaal niet mogelijk is, alleen falsificatie, en Kuhn ontwikkelde een nieuwe kijk op wetenschap waarbij kennis niet lineair toenam, maar discontinu. Hij toonde met voorbeelden aan dat verschillende paradigma"s elkaar opvolgden en niet uit elkaar verklaarbaar waren. Wittgenstein zag wetenschap als een taalspel dat tot een verschillend zicht op de werkelijkheid leidt.
Jongere filosofen gingen over tot een radicalere verwerping van de Verlichting en op hen wordt veelal het etiket postmodern geplakt. Zij gaven de grootste en meest fundamentele kritiek op het rationalisme die er sinds de 17e eeuw is geweest. Hun visies zijn moeilijk samen te vatten, maar Jacques Derrida laat het idee los dat taal de objectieve werkelijkheid kan representeren. Hij gaat zelfs nog verder, er bestaat dientengevolge ook niet meer zoiets als een objectieve werkelijkheid. Een andere postmoderne filosoof, Michel Foucault, ontmaskerde de taal als machtsspel.
De nog immer actieve filosoof Richard Rorty gelooft niet in een relatie tussen wetenschap en werkelijkheid. Hij verzet zich tegen de gedachte dat de waarheid van uitspraken of gedachten verankerd is in de werkelijkheid zelf. Waarheid is een eigenschap van taal en taal is iets van mensen, dat heeft niets te maken met werkelijkheid. Taal en waarheid worden niet gevonden maar gemaakt, ze zijn contingent. Een centraal woord bij Rorty is "ironie": de intellectuele houding van het erkennen van de contingentie van alles zonder in het dagelijks leven meteen niets meer belangrijk te vinden. Rorty heeft wel een grote waarde, maar dat is niet de Waarheid, of het Goede, maar Vrijheid. Het moge duidelijk zijn dat ook het geloof in God niet serieus genomen wordt door postmoderne filosofen. Geen enkel absoluut gegeven buiten onze waarneming, zelfs de Rede niet, wordt erkend.
Fragmentatie en vervlakking
Tot nog toe was het eigenlijk niet meer dan een historische inleiding op de achtergronden van het postmodernisme. Bij het onderzoeken van de Nederlandse cultuur hebben we evenwel niet alleen met filosofen te maken. De geschetste ideeën vinden we echter ook terug in het dagelijks leven en het wereldbeeld van elke westerling. Er wordt wel gesproken van een kanteling van het westers paradigma zoals dat gestempeld is door joods-christelijk gedachtegoed, renaissancegeloof en verlichtingsfilosofie. Zelfs het marxisme nam de rede en het vooruitgangsgeloof nog aan als uitgangspunt, maar in het postmoderne gedachtegoed is het fundament van de moderniteit aangetast. Het vooruitgangsgeloof is weggevallen als substituut van de christelijke heilsverwachting en daardoor dringen volgens vele critici nihilistische ideeën door tot in brede lagen van de bevolking. Een kenmerk van de postmoderne mens volgens Zygmunt Bauman is existential insecurity ontological contingency of being". Veel mensen voelen dat hun bestaan contingent is en daardoor in wezen zinloos. Absolute grenzen vervagen, grenzen van goed en kwaad, waar en onwaar, feit en fictie, mooi en lelijk, hoge en lage cultuur, serieuze en populaire muziek, goede en slechte smaak. Hiermee verdwijnt ook een samenhang in ethiek en levensbeschouwing.
Uit het wereldbeeld van mensen is de eenheid verdwenen, de duidelijkheid van vroeger, zodat het soms lijkt dat de werkelijkheid in stukken uiteen is gevallen, ook psychologisch. Waar de premoderne mens vooral was gericht op het verleden, de moderne mens vooral op de toekomst, zo is de postmoderne mens vooral gericht op het heden. Het idee van vooruitgang, van een toekomstvisie, is weg. Daardoor vermarkt de politiek, niet door de overheid of door de kapitalist, maar door het nieuwe besef van historiciteit, van historische onvoorspelbaarheid," aldus de filosoof Luuk van Middelaar in de Groene Amsterdammer. Volgens Bas Heijne is het de werkelijke kern van de postmoderniteit dat tijdsbesef vervangen is door ruimtebesef. Fredric Jameson schrijft hier ook over. In de postmoderne tijd is er veel ruimte, mensen kunnen overal komen, maar weten zich geen plaats meer. De landkaart is weg. Vroeger positioneerden ze zich aan de hand van tijd, terwijl besef van tijd nu niet meer zo duidelijk aanwezig is. De plaats van de mens in de wereld en de tijd is contingent geworden, zo lijkt het.
In de geglobaliseerde geïndividualiseerde samenleving is de pool of choice alternatives" enorm geworden en daardoor is de opvattingen over normen en waarden gefragmenteerd, aldus Halman en Pettersson. Op maatschappelijk niveau is de toegenomen fragmentatie, of in ieder geval de differentiatie, nog duidelijker. Was de Nederlandse samenleving vroeger nog betrekkelijk overzichtelijk met haar verschillende zuilen en gezamenlijke opvattingen, nu is de samenhang soms ver te zoeken. Er zijn meer samenwonenden, meer alleenstaanden, meer moslims, meer atheïsten, meer part-timers, meer overwerkte werknemers, meer vegetariërs, meer materialisten, meer tv-zenders en meer tijdschriften dan veertig jaar geleden. Op de markt van individualisme en geluk valt uit verschillende levensstijlen te kiezen, burgers zijn consumenten geworden met onbeperkte keuzemogelijkheden.
De toegenomen differentiatie en fragmentatie van de samenleving heeft paradoxale gevolgen. Enerzijds stimuleert het veelzijdigheid, creativiteit en communicatie. De multiculturele samenleving maakt bijvoorbeeld contact tussen mensen uit verschillende bevolkingsgroepen veel eenvoudiger. Anderzijds zorgt het voor vervlakking en eenvormigheid. Daniel Bell heeft gewezen op de ontwikkeling in de richting van een massacultuur, waarin de hoge levensstandaard en de versoepeling van moraal een doel in zichzelf werd. Er is een consumptiecultuur ontstaan die egalitair van karakter is.
Het concept McDonaldisering van de socioloog George Ritzer is een goede illustratie van deze vervlakking en massacultuur. Ritzer ziet een aantal principes van de fast food-keten terug in de moderne maatschappij, namelijk de opmars van efficiency, berekenbaarheid, voorspelbaarheid en controle, met als gevolg een rationeel systeem dat vaak irrationele uitkomsten heeft (zoals de enorme berg afval). Volgens Ritzer ligt hier een aantal modernistische waarden aan ten grondslag, zoals rationaliteit. Maar er zitten ook zeker enkele postmoderne elementen in: multinationalisme, oppervlakkigheid, het verdwijnen van echte emotie of lange termijn-affectie, homogenisering, etc.
Volgens Crook e.a. is postmodernisering een proces waarin differentiatie, rationalisatie en commodificatie radicaliseren (waarbij commodificatie de verschuiving betekent naar massaproductie van cultuurgoederen). Dit noemt hij "hyperdifferentiatie", "hyperrationalisatie" en "hypercommodificatie". Deze "hyper-processen" lijken de moderniteit om te doen keren. Bijvoorbeeld: alles in de samenleving differentieert, alle domeinen worden onafhankelijk van elkaar en verliezen hun samenhang. Dan wordt de samenleving één grote brij van onsamenhangende mensen en dingen, waarbij het resultaat op de-differentiatie lijkt. Evenzo komt hyperrationalisatie uiteindelijk uit op de-rationalisatie, hetzelfde wat Ritzer beweert.
Continuïteit van de moderniteit?
Betekent de postmoderne filosofie werkelijk een breuk met de Verlichting? Eerder zie ik, met Crook e.a., een vorm van radicalisering die ingrijpend is en niet meer terug te draaien. Het modernistische ideaal van kritisch denken en van breken met autoriteit (in de vorm van traditie, staat of de Schriften) wordt namelijk niet losgelaten. Het wordt alleen nu consequent toegepast op de Verlichting zelf, zelfs de rede heeft geen universele geldigheid meer. Veel waarden uit de Verlichting zijn nu ontmaskerd als voortkomend uit een christelijk wereldbeeld. Ook is het begin van de nadruk op vrijheid als hoogste goed al te vinden bij Kant, de Verlichtingsfilosoof bij uitstek.
Ook de postmoderniteit zij het fragmentatie, McDonaldisering, postmodernisering of iets anders is minder een breuk met de moderniteit dan het soms lijkt. Jameson vindt het postmodernisme een culturele verschijningsvorm van het late modernistische kapitalisme. Zelfs esthetische elementen die mensen vroeger met cultuur associeerden, zijn veranderd in goederen om te kopen en te verkopen op de kapitalistische markt. Eén van de kenmerken van dit kapitalisme is het multinationale karakter ervan. Zo zijn we weer terug bij globalisering. Ook een concept dat past bij deze postmoderne tijd volgens Lemaire: juist nu we een veelomvattend bewustzijn nodig hebben omdat de hele wereld voor ons bereikbaar is, nemen intellectuelen afstand van theorieën die de wereld als één systeem durven bestrijken. Het concept (of de ideologie) globalisering is eigenlijk een minimaal "groot verhaal" in een tijd van anti-utopisme.
Het blijkt dat postmoderniteit en moderniteit niet los van elkaar te zien zijn. De moderniteit is helemaal niet afgelopen, structureel is er continuïteit. Tegen de postmoderne cultuurkritiek in dragen economische en technologische elites het vooruitgangsgeloof nog uit. Er is een wijdverbreid geloof in de maakbaarheid van het lichaam en in de efficiënte uitkomsten van marktwerking. Zelfs, juist, in een postmoderne tijd is het dus nog zinvol om stil te staan bij het moderne kapitalisme. Dit gebeurt in het volgende hoofdstuk.
Tot nog toe was het eigenlijk niet meer dan een historische inleiding op de achtergronden van het postmodernisme. Bij het onderzoeken van de Nederlandse cultuur hebben we evenwel niet alleen met filosofen te maken. De geschetste ideeën vinden we echter ook terug in het dagelijks leven en het wereldbeeld van elke westerling. Er wordt wel gesproken van een kanteling van het westers paradigma zoals dat gestempeld is door joods-christelijk gedachtegoed, renaissancegeloof en verlichtingsfilosofie. Zelfs het marxisme nam de rede en het vooruitgangsgeloof nog aan als uitgangspunt, maar in het postmoderne gedachtegoed is het fundament van de moderniteit aangetast. Het vooruitgangsgeloof is weggevallen als substituut van de christelijke heilsverwachting en daardoor dringen volgens vele critici nihilistische ideeën door tot in brede lagen van de bevolking. Een kenmerk van de postmoderne mens volgens Zygmunt Bauman is existential insecurity ontological contingency of being". Veel mensen voelen dat hun bestaan contingent is en daardoor in wezen zinloos. Absolute grenzen vervagen, grenzen van goed en kwaad, waar en onwaar, feit en fictie, mooi en lelijk, hoge en lage cultuur, serieuze en populaire muziek, goede en slechte smaak. Hiermee verdwijnt ook een samenhang in ethiek en levensbeschouwing.
Uit het wereldbeeld van mensen is de eenheid verdwenen, de duidelijkheid van vroeger, zodat het soms lijkt dat de werkelijkheid in stukken uiteen is gevallen, ook psychologisch. Waar de premoderne mens vooral was gericht op het verleden, de moderne mens vooral op de toekomst, zo is de postmoderne mens vooral gericht op het heden. Het idee van vooruitgang, van een toekomstvisie, is weg. Daardoor vermarkt de politiek, niet door de overheid of door de kapitalist, maar door het nieuwe besef van historiciteit, van historische onvoorspelbaarheid," aldus de filosoof Luuk van Middelaar in de Groene Amsterdammer. Volgens Bas Heijne is het de werkelijke kern van de postmoderniteit dat tijdsbesef vervangen is door ruimtebesef. Fredric Jameson schrijft hier ook over. In de postmoderne tijd is er veel ruimte, mensen kunnen overal komen, maar weten zich geen plaats meer. De landkaart is weg. Vroeger positioneerden ze zich aan de hand van tijd, terwijl besef van tijd nu niet meer zo duidelijk aanwezig is. De plaats van de mens in de wereld en de tijd is contingent geworden, zo lijkt het.
In de geglobaliseerde geïndividualiseerde samenleving is de pool of choice alternatives" enorm geworden en daardoor is de opvattingen over normen en waarden gefragmenteerd, aldus Halman en Pettersson. Op maatschappelijk niveau is de toegenomen fragmentatie, of in ieder geval de differentiatie, nog duidelijker. Was de Nederlandse samenleving vroeger nog betrekkelijk overzichtelijk met haar verschillende zuilen en gezamenlijke opvattingen, nu is de samenhang soms ver te zoeken. Er zijn meer samenwonenden, meer alleenstaanden, meer moslims, meer atheïsten, meer part-timers, meer overwerkte werknemers, meer vegetariërs, meer materialisten, meer tv-zenders en meer tijdschriften dan veertig jaar geleden. Op de markt van individualisme en geluk valt uit verschillende levensstijlen te kiezen, burgers zijn consumenten geworden met onbeperkte keuzemogelijkheden.
De toegenomen differentiatie en fragmentatie van de samenleving heeft paradoxale gevolgen. Enerzijds stimuleert het veelzijdigheid, creativiteit en communicatie. De multiculturele samenleving maakt bijvoorbeeld contact tussen mensen uit verschillende bevolkingsgroepen veel eenvoudiger. Anderzijds zorgt het voor vervlakking en eenvormigheid. Daniel Bell heeft gewezen op de ontwikkeling in de richting van een massacultuur, waarin de hoge levensstandaard en de versoepeling van moraal een doel in zichzelf werd. Er is een consumptiecultuur ontstaan die egalitair van karakter is.
Het concept McDonaldisering van de socioloog George Ritzer is een goede illustratie van deze vervlakking en massacultuur. Ritzer ziet een aantal principes van de fast food-keten terug in de moderne maatschappij, namelijk de opmars van efficiency, berekenbaarheid, voorspelbaarheid en controle, met als gevolg een rationeel systeem dat vaak irrationele uitkomsten heeft (zoals de enorme berg afval). Volgens Ritzer ligt hier een aantal modernistische waarden aan ten grondslag, zoals rationaliteit. Maar er zitten ook zeker enkele postmoderne elementen in: multinationalisme, oppervlakkigheid, het verdwijnen van echte emotie of lange termijn-affectie, homogenisering, etc.
Volgens Crook e.a. is postmodernisering een proces waarin differentiatie, rationalisatie en commodificatie radicaliseren (waarbij commodificatie de verschuiving betekent naar massaproductie van cultuurgoederen). Dit noemt hij "hyperdifferentiatie", "hyperrationalisatie" en "hypercommodificatie". Deze "hyper-processen" lijken de moderniteit om te doen keren. Bijvoorbeeld: alles in de samenleving differentieert, alle domeinen worden onafhankelijk van elkaar en verliezen hun samenhang. Dan wordt de samenleving één grote brij van onsamenhangende mensen en dingen, waarbij het resultaat op de-differentiatie lijkt. Evenzo komt hyperrationalisatie uiteindelijk uit op de-rationalisatie, hetzelfde wat Ritzer beweert.
Continuïteit van de moderniteit?
Betekent de postmoderne filosofie werkelijk een breuk met de Verlichting? Eerder zie ik, met Crook e.a., een vorm van radicalisering die ingrijpend is en niet meer terug te draaien. Het modernistische ideaal van kritisch denken en van breken met autoriteit (in de vorm van traditie, staat of de Schriften) wordt namelijk niet losgelaten. Het wordt alleen nu consequent toegepast op de Verlichting zelf, zelfs de rede heeft geen universele geldigheid meer. Veel waarden uit de Verlichting zijn nu ontmaskerd als voortkomend uit een christelijk wereldbeeld. Ook is het begin van de nadruk op vrijheid als hoogste goed al te vinden bij Kant, de Verlichtingsfilosoof bij uitstek.
Ook de postmoderniteit zij het fragmentatie, McDonaldisering, postmodernisering of iets anders is minder een breuk met de moderniteit dan het soms lijkt. Jameson vindt het postmodernisme een culturele verschijningsvorm van het late modernistische kapitalisme. Zelfs esthetische elementen die mensen vroeger met cultuur associeerden, zijn veranderd in goederen om te kopen en te verkopen op de kapitalistische markt. Eén van de kenmerken van dit kapitalisme is het multinationale karakter ervan. Zo zijn we weer terug bij globalisering. Ook een concept dat past bij deze postmoderne tijd volgens Lemaire: juist nu we een veelomvattend bewustzijn nodig hebben omdat de hele wereld voor ons bereikbaar is, nemen intellectuelen afstand van theorieën die de wereld als één systeem durven bestrijken. Het concept (of de ideologie) globalisering is eigenlijk een minimaal "groot verhaal" in een tijd van anti-utopisme.
Het blijkt dat postmoderniteit en moderniteit niet los van elkaar te zien zijn. De moderniteit is helemaal niet afgelopen, structureel is er continuïteit. Tegen de postmoderne cultuurkritiek in dragen economische en technologische elites het vooruitgangsgeloof nog uit. Er is een wijdverbreid geloof in de maakbaarheid van het lichaam en in de efficiënte uitkomsten van marktwerking. Zelfs, juist, in een postmoderne tijd is het dus nog zinvol om stil te staan bij het moderne kapitalisme. Dit gebeurt in het volgende hoofdstuk.
{mospagebreak}3. Kapitalisme
Hoofdstuk 3 richt zich op de wortels van het kapitalisme. Het neoliberalisme, de jongste variant hiervan, is een belangrijke pijler van globalisering.
Het kapitalisme is het economische systeem van de moderniteit. De ontwikkeling ervan is gelijk opgelopen met de ontwikkeling van de moderne liberale samenleving, hoewel het kapitalisme in de 20e eeuw ook ingevoerd is in minder liberale samenlevingen zoals Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. Er zijn altijd tegenkrachten geweest, in de 19e eeuw ontwikkelde Marx bijvoorbeeld een eigen visie op de economie, maar in het Westen is het kapitalisme vanaf de 19e eeuw het heersende systeem geweest. Het is een fundamenteel element van globalisering. Veel kritiek van bijvoorbeeld de anti-globalisten richt zich in feite op de schade die dit economische systeem aanricht. In dit hoofdstuk worden niet uitvoerig de verschillende economische theorieën over het kapitalisme besproken, maar wordt de samenhang onderzocht met globalisering en moderniteit.
Grondslagen van het kapitalisme
Goudzwaard definieert het kapitalisme als volgt: het is de samenlevingsstructuur waarin zowel recht als moraal als de organisatiewijze van het sociaal-economische leven volledig doortocht geven aan de krachten van economische groei en technische ontwikkeling. Hierbij zetten die krachten zelf zich door via een proces van "natuurlijke selectie", door middel van een voortdurende concurrentie op de markt waar zelfstandige productiehuishoudingen aan deelnemen die op basis van kapitaalrendement zijn georganiseerd.
Elementen van het kapitalisme waren al te zien in de late Middeleeuwen. In de Vroegmoderne tijd ontwikkelden die zich verder. Voor de kapitalistische samenleving zoals we die nu kennen was er echter een cultureel klimaat nodig dat tenminste vier principes erkende. Dit klimaat is in de moderne samenleving langzaam ontstaan, waarbij denkers als Adam Smith de voortrekkers zijn geweest. Ten eerste de idee dat de mens zichzelf kan verwerkelijken door vorm te geven, waardoor de relatie mens-natuur centraal kwam te staan. De "markt" wordt dan gezien als een mechanisme, niet tussen mensen, maar tussen iedere individu en de prijs. Ten tweede de opvatting dat vrije mededinging het meest natuurlijk is. Het is dan de taak van de overheid om deze natuurlijke orde te beschermen. Ten derde de verwachting dat marktevenwicht tot maatschappelijke harmonie leidt en menselijke belangen voortdurend uitgebalanceerd kunnen worden. Dit was de kern van Adam Smiths gedachtegoed: met behulp van eigenbelang, eigenlijk een slechte eigenschap, kan een goede afstemming plaatsvinden! Ten vierde het principe dat de mate van bevrediging evenredig is met aantal beschikbare producten. Deze opvatting leidde tot het utilitarisme, waarin het menselijk handelen wordt beoordeeld in termen van nuttigheidseffecten.
Binnen het kapitalisme hebben zich in de loop van de jaren grote ontwikkelingen voorgedaan, tussen ondernemingen, tussen staat en onderneming, en tussen staten. Goudzwaard toont aan dat deze veranderingen gedreven werden door het vooruitgangsgeloof, de moderne verwachting dat door menselijk ingrijpen de wereld goed gemaakt kon worden. Overigens is dit vooruitgangsgeloof niet meer hetzelfde als voorheen: in het vorige hoofdstuk is besproken hoe het grote verhaal "Vooruitgang" besmet is geraakt. Minder verheven ideeën over vooruitgang zijn echter wel nog steeds aanwezig. Zowel staat, onderneming als consument hebben hun soevereiniteit langzaam verloren: bedrijven zijn langzaam maar zeker vooruitgangssystemen geworden die zichzelf moeten continueren, de consument is evenmin soeverein en zelfs de staat is ten dienste gekomen van het vooruitgangssysteem. Deze verschuiving heeft geleid tot een nog verdergaande verandering in de moderne cultuur: de doelstellingen van de samenleving zijn versmald tot het van dag tot dag economisch en technologisch vooruitgaan. Niet winst is belangrijk, maar economisch groeien, niet de laagste prijs moet bereikt worden, maar het grootste marktaandeel, niet de rechtsstaat is het doel, maar de welvaartsstaat. De vraag of het menselijk geluk ermee is gediend wordt op zijn best achteraf nog gesteld.
Neoliberalisme
Halverwege de 20e eeuw was liberale politiek en economie overwegend Keynesiaans, met een sterke nadruk op de staat. In reactie hierop kwam door werken van Milton Friedman en Friedrich Hayek de klassieke liberale visie weer op. Net als Adam Smith in de 18e eeuw pleitten ze voor "laissez-faire". Wanneer de markt de ruimte wordt geboden, zal de invisible hand de meest efficiënte uitkomst geven. In de jaren "80 werden hun ideeën gemeengoed. Reagan, Thatcher en vele anderen voerden een neoliberale politiek waarin deregulering en privatisering centraal stond.
In de tweede helft van de twintigste eeuw is de industriële samenleving een postindustriële geworden. Dat wil zeggen (volgens Daniel Bell) dat de dienstensector het dominante terrein van economische bedrijvigheid is geworden, ook op het vlak van betekenisgeving. Hierbij wordt kennis en informatie van steeds groter belang vergeleken met eigendom van kapitaal en productiemiddelen. Een andere verandering is de groeiende betekenis van consumptie en consumentisme. Dit zorgt voor een toenemende oriëntatie op markten en klanten in plaats van op het productieproces zelf. De meest verstrekkende ontwikkeling is evenwel de internationalisering van economische verhoudingen. Hierover is in Hoofdstuk 1 al gesproken.
De tendensen waren al aanwezig in het kapitalistische systeem, maar onder invloed van het neoliberale paradigma is een aantal ontwikkelingen nog verder versneld. De kern van het neoliberalisme is namelijk de ruimte die geboden wordt aan de markt, de ruimte die geboden wordt aan de economie om vrij te ontwikkelen. Dit heeft een differentiatie tot gevolg: markten raken opgedeeld in gespecialiseerde segmenten. Door dit primaat van de economie is in de laatste twintig jaar een "metaforisering van het economisch paradigma" opgetreden: economische waarden zoals efficiency hebben zich verbreid, zowel in economische als niet-economische domeinen.
De ideologieën van de verschillende stromingen zijn geconvergeerd op economisch vlak. Voorheen legde het liberalisme de voorrang bij het individu, tegenover het collectief van het socialisme. Maar bij beiden bepaalde de autonome mens zijn eigen lot op soevereine wijze. Bovendien had ook het socialisme de economische groei nodig om aan ieder de voorrechten te geven die hij nodig heeft. Het socialisme is revisionistisch geworden: dat ging nu alvast wat gelijkheid verwerkelijken. Het liberalisme is neoliberaal geworden en richtte zich op de vraag hoe de markt goed te omramen met overheidsbeleid, op het gebied van sociale wetgeving, mededinging en werkgelegenheidsbeleid. Beide zijn vooruitgangs-functioneel geworden. Niet de vragen naar zin, wijze en tempo van vooruitgang stonden centraal, maar naar de verdeling. Ook christelijke partijen hebben niet een fundamenteel andere politiek gevoerd. De sociaal-democratische partijen in Europa hebben flink geworsteld met hun bestaansrecht. Ze zijn een "Derde Weg" gaan zoeken tussen het liberalisme en het socialisme, waarin marktwerking, flexibilisering, individualisering en globalisering worden gezien als wegen tot meer solidariteit en vrijheid. Daarmee hebben ze zich neergelegd bij het primaat van de economie boven de politiek.
Markteconomie en cultuur
Hiervoor is besproken hoe het kapitalisme is geworteld in het mens- en wereldbeeld van de Verlichting. Niet iedereen is het erover eens wat de relatie is tussen economie en cultuur, maar dit debat is fundamenteel voor de vraag of globalisering een neutraal proces is of niet. Is het neoliberalisme "slechts" een economisch systeem of is het meer?
Op de niet-westerse wereld heeft het westerse economische model een enorme aantrekkingskracht uitgeoefend. Het Westen heeft de rest vaak bekeken vanuit een superieure positie, waarbij ontwikkeling werd gezien als inhaalprobleem. Na de dekolonisatie is het economische stelsel van de vrije markteconomie uitgebreid tot een economisch wereldsysteem, ondersteund door het IMF, de Wereldbank en de GATT. Het ontwikkelingsproces van de niet-westerse wereld werd getypeerd als een proces van verwestersing en nu nog wordt globalisering verstaan als verwestersing. Hierbij hoort volgens velen in het Westen ook het aannemen van het waardenstelsel, van mensenrechten en de liberale democratie. Zijn de vrije markteconomie en de liberale democratie wel zo onlosmakelijk met elkaar verbonden?
Francis Fukuyama proclameerde met "Het einde van de geschiedenis en de laatste mens" de overwinning van de vrije markteconomie op de centraal geleide sovjeteconomie. De consumptiegerichte instelling van de westerse staten zou het model geworden zijn voor de gehele wereld. Er zou een nieuw tijdperk aanbreken met de dominantie van één ideologie: het liberalisme. Dit is de ideologie van het maatschappijtype waarin het recht op vrijheid van de mens wordt beschermd door het recht en door democratie. Hierover meer in het volgende hoofdstuk. Het is een feitelijke constatering dat de consumptiegerichte instelling van het Westen verspreid wordt, zelfs naar China, maar Fukuyama brengt dit in verband met zijn hegeliaans-marxistische visie op de geschiedenis, volgens welke verschillende maatschappijtypen elkaar opvolgen, waarbij de oude te gronde gaat aan interne tegenstellingen. Deze ontwikkeling van ideeën is volgens Hegel de rode draad door de hele wereldgeschiedenis. Wanneer een ideologie uiteindelijk perfect werkt en heeft overwonnen, dan is de (ideeën)geschiedenis beëindigd. Volgens Fukuyama markeerde het einde van de Koude Oorlog dit einde.
Liberalisme bestaat volgens de Amerikaan uit twee aspecten: de liberale democratie en de consumptiemaatschappij. Over de liberale democratie is hij positief: er wordt een samenleving gecreëerd met een groeiende spreiding van welvaart en individuele ontplooiingsmogelijkheden. Alleen dit systeem kan de menselijke behoefte aan erkenning als volwaardig mens en burger op adequate wijze bevredigen. Over de consumptiemaatschappij is Fukuyama echter zeer kritisch. Volgens hem breekt er na het einde van de ideeëngeschiedenis een tijdperk van verveling aan waarin alleen directe behoeftebevrediging nog telt. Hiermee sluit Fukuyama aan bij de "laatste mens" zoals Nietzsche die ziet, wanneer men er achter is gekomen dat God dood is.
Het succes van de neoliberale marktideologie lijkt Fukuyama"s conclusie te bevestigen. Ook Friedman en Hayek geloofden dat economische liberalisering onweerstaanbaar zou moeten leiden tot politieke democratie. Een vrije markt maakt vrije mensen, aldus deze economen. Dit is echter nog maar de vraag. Grote delen van de wereld verwerpen het liberalisme als filosofie, ook al voeren ze de markteconomie in. Het moge echter duidelijk zijn dat het liberalisme is geworteld in de moderniteit. Hierover meer in het volgende hoofdstuk.
Hoofdstuk 3 richt zich op de wortels van het kapitalisme. Het neoliberalisme, de jongste variant hiervan, is een belangrijke pijler van globalisering.
Het kapitalisme is het economische systeem van de moderniteit. De ontwikkeling ervan is gelijk opgelopen met de ontwikkeling van de moderne liberale samenleving, hoewel het kapitalisme in de 20e eeuw ook ingevoerd is in minder liberale samenlevingen zoals Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. Er zijn altijd tegenkrachten geweest, in de 19e eeuw ontwikkelde Marx bijvoorbeeld een eigen visie op de economie, maar in het Westen is het kapitalisme vanaf de 19e eeuw het heersende systeem geweest. Het is een fundamenteel element van globalisering. Veel kritiek van bijvoorbeeld de anti-globalisten richt zich in feite op de schade die dit economische systeem aanricht. In dit hoofdstuk worden niet uitvoerig de verschillende economische theorieën over het kapitalisme besproken, maar wordt de samenhang onderzocht met globalisering en moderniteit.
Grondslagen van het kapitalisme
Goudzwaard definieert het kapitalisme als volgt: het is de samenlevingsstructuur waarin zowel recht als moraal als de organisatiewijze van het sociaal-economische leven volledig doortocht geven aan de krachten van economische groei en technische ontwikkeling. Hierbij zetten die krachten zelf zich door via een proces van "natuurlijke selectie", door middel van een voortdurende concurrentie op de markt waar zelfstandige productiehuishoudingen aan deelnemen die op basis van kapitaalrendement zijn georganiseerd.
Elementen van het kapitalisme waren al te zien in de late Middeleeuwen. In de Vroegmoderne tijd ontwikkelden die zich verder. Voor de kapitalistische samenleving zoals we die nu kennen was er echter een cultureel klimaat nodig dat tenminste vier principes erkende. Dit klimaat is in de moderne samenleving langzaam ontstaan, waarbij denkers als Adam Smith de voortrekkers zijn geweest. Ten eerste de idee dat de mens zichzelf kan verwerkelijken door vorm te geven, waardoor de relatie mens-natuur centraal kwam te staan. De "markt" wordt dan gezien als een mechanisme, niet tussen mensen, maar tussen iedere individu en de prijs. Ten tweede de opvatting dat vrije mededinging het meest natuurlijk is. Het is dan de taak van de overheid om deze natuurlijke orde te beschermen. Ten derde de verwachting dat marktevenwicht tot maatschappelijke harmonie leidt en menselijke belangen voortdurend uitgebalanceerd kunnen worden. Dit was de kern van Adam Smiths gedachtegoed: met behulp van eigenbelang, eigenlijk een slechte eigenschap, kan een goede afstemming plaatsvinden! Ten vierde het principe dat de mate van bevrediging evenredig is met aantal beschikbare producten. Deze opvatting leidde tot het utilitarisme, waarin het menselijk handelen wordt beoordeeld in termen van nuttigheidseffecten.
Binnen het kapitalisme hebben zich in de loop van de jaren grote ontwikkelingen voorgedaan, tussen ondernemingen, tussen staat en onderneming, en tussen staten. Goudzwaard toont aan dat deze veranderingen gedreven werden door het vooruitgangsgeloof, de moderne verwachting dat door menselijk ingrijpen de wereld goed gemaakt kon worden. Overigens is dit vooruitgangsgeloof niet meer hetzelfde als voorheen: in het vorige hoofdstuk is besproken hoe het grote verhaal "Vooruitgang" besmet is geraakt. Minder verheven ideeën over vooruitgang zijn echter wel nog steeds aanwezig. Zowel staat, onderneming als consument hebben hun soevereiniteit langzaam verloren: bedrijven zijn langzaam maar zeker vooruitgangssystemen geworden die zichzelf moeten continueren, de consument is evenmin soeverein en zelfs de staat is ten dienste gekomen van het vooruitgangssysteem. Deze verschuiving heeft geleid tot een nog verdergaande verandering in de moderne cultuur: de doelstellingen van de samenleving zijn versmald tot het van dag tot dag economisch en technologisch vooruitgaan. Niet winst is belangrijk, maar economisch groeien, niet de laagste prijs moet bereikt worden, maar het grootste marktaandeel, niet de rechtsstaat is het doel, maar de welvaartsstaat. De vraag of het menselijk geluk ermee is gediend wordt op zijn best achteraf nog gesteld.
Neoliberalisme
Halverwege de 20e eeuw was liberale politiek en economie overwegend Keynesiaans, met een sterke nadruk op de staat. In reactie hierop kwam door werken van Milton Friedman en Friedrich Hayek de klassieke liberale visie weer op. Net als Adam Smith in de 18e eeuw pleitten ze voor "laissez-faire". Wanneer de markt de ruimte wordt geboden, zal de invisible hand de meest efficiënte uitkomst geven. In de jaren "80 werden hun ideeën gemeengoed. Reagan, Thatcher en vele anderen voerden een neoliberale politiek waarin deregulering en privatisering centraal stond.
In de tweede helft van de twintigste eeuw is de industriële samenleving een postindustriële geworden. Dat wil zeggen (volgens Daniel Bell) dat de dienstensector het dominante terrein van economische bedrijvigheid is geworden, ook op het vlak van betekenisgeving. Hierbij wordt kennis en informatie van steeds groter belang vergeleken met eigendom van kapitaal en productiemiddelen. Een andere verandering is de groeiende betekenis van consumptie en consumentisme. Dit zorgt voor een toenemende oriëntatie op markten en klanten in plaats van op het productieproces zelf. De meest verstrekkende ontwikkeling is evenwel de internationalisering van economische verhoudingen. Hierover is in Hoofdstuk 1 al gesproken.
De tendensen waren al aanwezig in het kapitalistische systeem, maar onder invloed van het neoliberale paradigma is een aantal ontwikkelingen nog verder versneld. De kern van het neoliberalisme is namelijk de ruimte die geboden wordt aan de markt, de ruimte die geboden wordt aan de economie om vrij te ontwikkelen. Dit heeft een differentiatie tot gevolg: markten raken opgedeeld in gespecialiseerde segmenten. Door dit primaat van de economie is in de laatste twintig jaar een "metaforisering van het economisch paradigma" opgetreden: economische waarden zoals efficiency hebben zich verbreid, zowel in economische als niet-economische domeinen.
De ideologieën van de verschillende stromingen zijn geconvergeerd op economisch vlak. Voorheen legde het liberalisme de voorrang bij het individu, tegenover het collectief van het socialisme. Maar bij beiden bepaalde de autonome mens zijn eigen lot op soevereine wijze. Bovendien had ook het socialisme de economische groei nodig om aan ieder de voorrechten te geven die hij nodig heeft. Het socialisme is revisionistisch geworden: dat ging nu alvast wat gelijkheid verwerkelijken. Het liberalisme is neoliberaal geworden en richtte zich op de vraag hoe de markt goed te omramen met overheidsbeleid, op het gebied van sociale wetgeving, mededinging en werkgelegenheidsbeleid. Beide zijn vooruitgangs-functioneel geworden. Niet de vragen naar zin, wijze en tempo van vooruitgang stonden centraal, maar naar de verdeling. Ook christelijke partijen hebben niet een fundamenteel andere politiek gevoerd. De sociaal-democratische partijen in Europa hebben flink geworsteld met hun bestaansrecht. Ze zijn een "Derde Weg" gaan zoeken tussen het liberalisme en het socialisme, waarin marktwerking, flexibilisering, individualisering en globalisering worden gezien als wegen tot meer solidariteit en vrijheid. Daarmee hebben ze zich neergelegd bij het primaat van de economie boven de politiek.
Markteconomie en cultuur
Hiervoor is besproken hoe het kapitalisme is geworteld in het mens- en wereldbeeld van de Verlichting. Niet iedereen is het erover eens wat de relatie is tussen economie en cultuur, maar dit debat is fundamenteel voor de vraag of globalisering een neutraal proces is of niet. Is het neoliberalisme "slechts" een economisch systeem of is het meer?
Op de niet-westerse wereld heeft het westerse economische model een enorme aantrekkingskracht uitgeoefend. Het Westen heeft de rest vaak bekeken vanuit een superieure positie, waarbij ontwikkeling werd gezien als inhaalprobleem. Na de dekolonisatie is het economische stelsel van de vrije markteconomie uitgebreid tot een economisch wereldsysteem, ondersteund door het IMF, de Wereldbank en de GATT. Het ontwikkelingsproces van de niet-westerse wereld werd getypeerd als een proces van verwestersing en nu nog wordt globalisering verstaan als verwestersing. Hierbij hoort volgens velen in het Westen ook het aannemen van het waardenstelsel, van mensenrechten en de liberale democratie. Zijn de vrije markteconomie en de liberale democratie wel zo onlosmakelijk met elkaar verbonden?
Francis Fukuyama proclameerde met "Het einde van de geschiedenis en de laatste mens" de overwinning van de vrije markteconomie op de centraal geleide sovjeteconomie. De consumptiegerichte instelling van de westerse staten zou het model geworden zijn voor de gehele wereld. Er zou een nieuw tijdperk aanbreken met de dominantie van één ideologie: het liberalisme. Dit is de ideologie van het maatschappijtype waarin het recht op vrijheid van de mens wordt beschermd door het recht en door democratie. Hierover meer in het volgende hoofdstuk. Het is een feitelijke constatering dat de consumptiegerichte instelling van het Westen verspreid wordt, zelfs naar China, maar Fukuyama brengt dit in verband met zijn hegeliaans-marxistische visie op de geschiedenis, volgens welke verschillende maatschappijtypen elkaar opvolgen, waarbij de oude te gronde gaat aan interne tegenstellingen. Deze ontwikkeling van ideeën is volgens Hegel de rode draad door de hele wereldgeschiedenis. Wanneer een ideologie uiteindelijk perfect werkt en heeft overwonnen, dan is de (ideeën)geschiedenis beëindigd. Volgens Fukuyama markeerde het einde van de Koude Oorlog dit einde.
Liberalisme bestaat volgens de Amerikaan uit twee aspecten: de liberale democratie en de consumptiemaatschappij. Over de liberale democratie is hij positief: er wordt een samenleving gecreëerd met een groeiende spreiding van welvaart en individuele ontplooiingsmogelijkheden. Alleen dit systeem kan de menselijke behoefte aan erkenning als volwaardig mens en burger op adequate wijze bevredigen. Over de consumptiemaatschappij is Fukuyama echter zeer kritisch. Volgens hem breekt er na het einde van de ideeëngeschiedenis een tijdperk van verveling aan waarin alleen directe behoeftebevrediging nog telt. Hiermee sluit Fukuyama aan bij de "laatste mens" zoals Nietzsche die ziet, wanneer men er achter is gekomen dat God dood is.
Het succes van de neoliberale marktideologie lijkt Fukuyama"s conclusie te bevestigen. Ook Friedman en Hayek geloofden dat economische liberalisering onweerstaanbaar zou moeten leiden tot politieke democratie. Een vrije markt maakt vrije mensen, aldus deze economen. Dit is echter nog maar de vraag. Grote delen van de wereld verwerpen het liberalisme als filosofie, ook al voeren ze de markteconomie in. Het moge echter duidelijk zijn dat het liberalisme is geworteld in de moderniteit. Hierover meer in het volgende hoofdstuk.
{mospagebreak}4. Politiek liberalisme
Hoofdstuk 4 laat zien dat het politiek liberalisme de theorie is van moderniteit en kapitalisme, en daarmee ook van globalisering. Uit de idealen van authenticiteit en autonomie volgt de liberale scheiding tussen publiek en privaat, met een minimale publieke moraal.
Het liberalisme is de ideologie van de moderniteit, waardoor globalisering mogelijk is. Liberalisme kiest er namelijk voor om zo min mogelijk in te grijpen in autonome processen en in voorgaande hoofdstukken is besproken hoe de processen een eigen dynamiek hebben en zo globalisering veroorzaken. Deze veranderingen hebben op hun beurt het liberalisme beïnvloed. Om de gevolgen van globalisering, modernisering en kapitalisme op de Nederlandse samenleving op waarde te kunnen schatten, zal dit hoofdstuk stilstaan bij de politieke ideologie erachter.
Het politiek liberalisme is niet hetzelfde als het zogenaamde ethische liberalisme. Het poogt juist een moreel neutrale theorie te zijn. Er zijn verschillende varianten van het liberalisme, maar ze zijn in ieder geval gebaseerd op een kapitalistische samenleving met een op wetenschap gebaseerd productiepatroon. Het belangrijkste criterium voor liberalen is vrijheid: een aantal vrijheden is fundamenteel voor het individu en moet worden beschermd. De eerste stap die al in de 17e eeuw werd gemaakt, is vrijheid van godsdienst en geweten. De mens moet zonder de last en de particularistische en contingente blik van een traditie, op zoek naar universele waarden. Tolerantie en vrijheid werden de nieuwe idealen, en dit was de kiem waaruit in de Verlichting van de 18e en 19e eeuw het politiek liberalisme kon ontstaan.
Met vrijheid bedoelde men bescherming door de overheid van de vrijheid van het individu tegenover een ander individu, maar ook vrijheid van overheidsinmenging in persoonlijke zaken. Deze vrijheden creëerden een sfeer vrij van (overheids)bemoeienis en zo schiepen ze het onderscheid tussen buiten en binnen, tussen publiek en privé. Voor de contemporaine filosoof John Rawls is dit heel belangrijk, omdat volgens hem de conceptie van vrijheid belangrijker is dan de conceptie van het goede: priority of the right over the good." Het is belangrijker dat mensen tot "eigen" inzichten komen dan dat ze de "juiste" inzichten hebben, als al bepaald kan worden welke inzichten juist zijn. Liberalen kwamen tot het inzicht dat de rede niet tot één gedeelde visie leidde, en dat dus niet consensus maar mondigheid het hoogste doel was. Bij het ideaal van mondigheid hoort wel het ideaal van het bestrijden van het onredelijke.
De Verlichtingsfilosofen veronderstelden naast de vrijheid ook de principiële gelijkheid van mensen. Ongelijkheid kwam volgens hen voort uit sociale omstandigheden en moest met behulp van de kritische rede ook als zondanig ontmaskerd worden. "Les droits de l"homme et du citoyen" vormen de politieke uitdrukking van deze visie.
Individualisme
In de moderne geseculariseerde maatschappij werd het ideaal van godsdienstvrijheid steeds meer een ideaal van totale vrijheid in het denken over waarden betreffende het goede leven. Het ideaal van authenticiteit, persoonlijke ontwikkeling ontstond zo. John Stuart Mill was een van de grootste pleitbezorgers van het individu als hoogste maatschappelijk ideaal. De overheid moet niet meer voorschrijven dan strikt noodzakelijk is voor de samenleving. Individuen moeten de kans krijgen zich te ontworstelen aan conventies en moeten hun eigen leven vorm geven. Zo ontstond er naast een programma van gelijke politieke rechten ook een omvattend ideaal voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.
Naast het authenticiteitideaal (zelfverwerkelijking) won het autonomie-ideaal aan terrein. In de 18e eeuw worden de relaties tussen mensen in het publieke domein beschreven in termen van een sociaal contract. In een imaginair voorstadium wordt men geacht afspraken te maken om voor iedereen verbeteringen te bewerkstelligen. Het model suggereert een instrumentele opvatting van interpersoonlijke relaties. In de persoonlijke levenssfeer moet men autonoom zijn en aan de markt waar burgers elkaar kunnen ontmoeten, moeten goede randvoorwaarden worden gecreëerd. Maatschappelijke discussies gaan in het liberalisme vooral over de voorwaarden waaronder die markt moet functioneren. Merk op dat de vroegere ondeugden van eigenbelang en begeerte nu langzaam opgevat gaan worden als positieve, ordenende eigenschappen van ieder mens.
Om ieder mens de ruimte te laten autonome beslissingen te maken, behoort de overheid neutraliteit na te streven. Er is een scheiding tussen de publieke en de persoonlijke levenssfeer ontstaan, waarbij in de laatste het individu de gezaghebbende instantie is. De overheid mag geen specifieke opvattingen over het goede leven bevorderen. Het liberalisme is immers begonnen met de ambitie om mensen uit verschillende tradities samen te laten leven. Dit betekent dat een ieder een zo groot mogelijke vrijheid moet hebben om zijn eigen leven in te richten. De overheid mag niet het recht hebben om in te grijpen in de levens van de burgers, tenzij dit moet worden gedaan om de vrijheid van andere mensen te waarborgen. Daarom is deze scheiding niet alleen belangrijk voor het liberalisme, maar zelfs cruciaal. Het is misschien wel het belangrijkste streven van het liberalisme om de private vrijheid van elk individu zo groot mogelijk te maken. Deze tweedeling lijkt dus dezelfde te zijn als die tussen the right and the good": de discussie wat rechtvaardig is hoort thuis in het publieke domein en de (persoonlijke) discussie wat het goede is hoort thuis is het private domein.
Pas in de 19e en 20e eeuw is een aantal maatschappelijke veranderingen in gang gezet overeenkomstig de genoemde liberale waarden. In het moderniseringsproces is de hiërarchische organisatie van de samenleving, waar afkomst telt, veranderd in een samenleving waarin prestatie telt. De maatschappelijke druk om zich te conformeren aan tradities van ouders of gemeenschap is onvergelijkelijk veel kleiner dan in andere, premoderne samenlevingen. Mensen zijn sociaal, geografisch, politiek en in het huwelijk mobiel geworden. De samenleving is geïndividualiseerd. Een samenleving gecentreerd rond de markt lijkt vrijwel automatisch een sociaal geïndividualiseerde samenleving te worden. Kennelijk is er iets in de marktgewijze productie wat dit voor de hand liggend maakt." Pas in deze samenleving zijn de idealen van de Verlichting verwerkelijkt. Kennelijk behoeven deze een bepaalde maatschappelijk klimaat waarin ze kunnen floreren.
Volgens sociologen lopen individualisme en waardefragmentatie parallel aan het proces waarbij de normen in de verschillende sociale sectoren (economie, techniek, familie, etc.) autonomer worden. These three processes are different aspects of one and the same basic process of modernization". Door een groeiende "pool of choice alternatives" in de geglobaliseerde wereld vindt waardefragmentatie plaats. Uit een uitgebreid Europees waardenonderzoek blijkt dat het individualisme sterker wordt naarmate de welvaart toeneemt.
Liberalisme en relativisme
Ook al beweert het politieke liberalisme niet hetzelfde te zijn als het filosofisch liberalisme, is het moeilijk om deze twee te scheiden (hierover meer in het volgende hoofdstuk). Daarom is het nuttig om na bovenstaande bespreking van het politieke liberalisme kort in te gaan op het ethisch relativisme, omdat dit van grote invloed is geweest op het liberalisme.
In de twintigste eeuw zijn er filosofen geweest die hebben gewezen op de betrekkelijkheid van het westerse wereldbeeld. Elk individu, waar ook ter wereld, neemt onbewust de gewoonten en normen van zijn eigen cultuur over, zegt de antropoloog Herskovits. Hieruit concludeert hij dat elk oordeel op de ervaring berust en deze ervaring wordt door ieder individu in termen van zijn eigen cultuur geïnterpreteerd. Dat heeft als consequentie dat culturen alleen maar kunnen en mogen worden beoordeeld vanuit en door zichzelf. Universele oordelen zijn niet mogelijk, wederzijds respect is nodig. Dit ethische relativisme heeft enkele sterke kanten: het pluralisme, dat nadruk legt op de wenselijkheid van het naast elkaar bestaan van verschillende waardensystemen, levensstijlen en ideologieën. Dit is ontstaan uit een afkeer van een eenheidscultuur die men vreesde te zien ontstaan. Een tweede sympathiek punt is het tolerantiegebod.
Dit gedachtegoed sluit goed aan bij het postmodernisme van Richard Rorty, zoals omschreven in Hoofdstuk 2. Pluraliteit van overtuigingen is voor hem een gegeven, dat onmiskenbaar samenhangt met de toevalligheid die de grondslag is van elke cultuur. Toch is Rorty bijvoorbeeld voorstander van de verbreiding van de (westers georiënteerde) mensenrechten. Elke cultuur zou daarnaar moeten luisteren. Dit lijkt inconsequent met zijn idee van contingentie van moraal. Maar volgens Rorty is er nog iets belangrijk: alle mensen kunnen pijn en vernedering voelen, daarom moet de mens solidair met de ander zijn. Er blijft echter een spanningsveld tussen het relativisme van Rorty en zijn pleidooi voor het verbreiden van mensenrechten.
Ik ga hier niet in op het overbekende debat over de universaliteit van de mensenrechten. Ik wil enkel de ideeën van het relativisme onder de aandacht brengen, omdat ze een grote invloed hebben gehad op het liberalisme (ook al wordt in liberale kring erkend dat het consequent doorgevoerde, radicale relativisme tot morele en andere problemen leidt; daarom spreekt men liever van pluralisme). Het liberalisme, de modernistische politieke visie bij uitstek, is, zoals al gezegd, in grote mate veranderd met de rest van de cultuur mee. Onder invloed van pluralistische en relativistische ideeën is de wens nog sterker geworden om publiek en privaat van elkaar gescheiden te houden. Publiek terrein moet neutraal zijn, want normen en waarden die mensen privé hebben, kunnen nooit algemeen geldig zijn. Het ideaal van zelfverwerkelijking (ongeacht welke keuzes men maakt) is boven het ideaal gekomen van vrijheid om te ontworstelen aan beperkende traditionele visies en universele redelijke waarden te vinden.
Het opeisen van universele geldigheid van waarden en normen kan niet meer, maar dat houdt een pragmatische insteek niet tegen: als er eenmaal goede democratische structuren zijn gegroeid, dan moeten die natuurlijk in stand worden gehouden. Postmoderne liberalen zelf zeggen dat het op die manier niet een nihilistische en afbrekende beweging hoeft te worden. Tot zover het liberalisme, de critici komen in het volgende hoofdstuk aan het woord.
Hoofdstuk 4 laat zien dat het politiek liberalisme de theorie is van moderniteit en kapitalisme, en daarmee ook van globalisering. Uit de idealen van authenticiteit en autonomie volgt de liberale scheiding tussen publiek en privaat, met een minimale publieke moraal.
Het liberalisme is de ideologie van de moderniteit, waardoor globalisering mogelijk is. Liberalisme kiest er namelijk voor om zo min mogelijk in te grijpen in autonome processen en in voorgaande hoofdstukken is besproken hoe de processen een eigen dynamiek hebben en zo globalisering veroorzaken. Deze veranderingen hebben op hun beurt het liberalisme beïnvloed. Om de gevolgen van globalisering, modernisering en kapitalisme op de Nederlandse samenleving op waarde te kunnen schatten, zal dit hoofdstuk stilstaan bij de politieke ideologie erachter.
Het politiek liberalisme is niet hetzelfde als het zogenaamde ethische liberalisme. Het poogt juist een moreel neutrale theorie te zijn. Er zijn verschillende varianten van het liberalisme, maar ze zijn in ieder geval gebaseerd op een kapitalistische samenleving met een op wetenschap gebaseerd productiepatroon. Het belangrijkste criterium voor liberalen is vrijheid: een aantal vrijheden is fundamenteel voor het individu en moet worden beschermd. De eerste stap die al in de 17e eeuw werd gemaakt, is vrijheid van godsdienst en geweten. De mens moet zonder de last en de particularistische en contingente blik van een traditie, op zoek naar universele waarden. Tolerantie en vrijheid werden de nieuwe idealen, en dit was de kiem waaruit in de Verlichting van de 18e en 19e eeuw het politiek liberalisme kon ontstaan.
Met vrijheid bedoelde men bescherming door de overheid van de vrijheid van het individu tegenover een ander individu, maar ook vrijheid van overheidsinmenging in persoonlijke zaken. Deze vrijheden creëerden een sfeer vrij van (overheids)bemoeienis en zo schiepen ze het onderscheid tussen buiten en binnen, tussen publiek en privé. Voor de contemporaine filosoof John Rawls is dit heel belangrijk, omdat volgens hem de conceptie van vrijheid belangrijker is dan de conceptie van het goede: priority of the right over the good." Het is belangrijker dat mensen tot "eigen" inzichten komen dan dat ze de "juiste" inzichten hebben, als al bepaald kan worden welke inzichten juist zijn. Liberalen kwamen tot het inzicht dat de rede niet tot één gedeelde visie leidde, en dat dus niet consensus maar mondigheid het hoogste doel was. Bij het ideaal van mondigheid hoort wel het ideaal van het bestrijden van het onredelijke.
De Verlichtingsfilosofen veronderstelden naast de vrijheid ook de principiële gelijkheid van mensen. Ongelijkheid kwam volgens hen voort uit sociale omstandigheden en moest met behulp van de kritische rede ook als zondanig ontmaskerd worden. "Les droits de l"homme et du citoyen" vormen de politieke uitdrukking van deze visie.
Individualisme
In de moderne geseculariseerde maatschappij werd het ideaal van godsdienstvrijheid steeds meer een ideaal van totale vrijheid in het denken over waarden betreffende het goede leven. Het ideaal van authenticiteit, persoonlijke ontwikkeling ontstond zo. John Stuart Mill was een van de grootste pleitbezorgers van het individu als hoogste maatschappelijk ideaal. De overheid moet niet meer voorschrijven dan strikt noodzakelijk is voor de samenleving. Individuen moeten de kans krijgen zich te ontworstelen aan conventies en moeten hun eigen leven vorm geven. Zo ontstond er naast een programma van gelijke politieke rechten ook een omvattend ideaal voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.
Naast het authenticiteitideaal (zelfverwerkelijking) won het autonomie-ideaal aan terrein. In de 18e eeuw worden de relaties tussen mensen in het publieke domein beschreven in termen van een sociaal contract. In een imaginair voorstadium wordt men geacht afspraken te maken om voor iedereen verbeteringen te bewerkstelligen. Het model suggereert een instrumentele opvatting van interpersoonlijke relaties. In de persoonlijke levenssfeer moet men autonoom zijn en aan de markt waar burgers elkaar kunnen ontmoeten, moeten goede randvoorwaarden worden gecreëerd. Maatschappelijke discussies gaan in het liberalisme vooral over de voorwaarden waaronder die markt moet functioneren. Merk op dat de vroegere ondeugden van eigenbelang en begeerte nu langzaam opgevat gaan worden als positieve, ordenende eigenschappen van ieder mens.
Om ieder mens de ruimte te laten autonome beslissingen te maken, behoort de overheid neutraliteit na te streven. Er is een scheiding tussen de publieke en de persoonlijke levenssfeer ontstaan, waarbij in de laatste het individu de gezaghebbende instantie is. De overheid mag geen specifieke opvattingen over het goede leven bevorderen. Het liberalisme is immers begonnen met de ambitie om mensen uit verschillende tradities samen te laten leven. Dit betekent dat een ieder een zo groot mogelijke vrijheid moet hebben om zijn eigen leven in te richten. De overheid mag niet het recht hebben om in te grijpen in de levens van de burgers, tenzij dit moet worden gedaan om de vrijheid van andere mensen te waarborgen. Daarom is deze scheiding niet alleen belangrijk voor het liberalisme, maar zelfs cruciaal. Het is misschien wel het belangrijkste streven van het liberalisme om de private vrijheid van elk individu zo groot mogelijk te maken. Deze tweedeling lijkt dus dezelfde te zijn als die tussen the right and the good": de discussie wat rechtvaardig is hoort thuis in het publieke domein en de (persoonlijke) discussie wat het goede is hoort thuis is het private domein.
Pas in de 19e en 20e eeuw is een aantal maatschappelijke veranderingen in gang gezet overeenkomstig de genoemde liberale waarden. In het moderniseringsproces is de hiërarchische organisatie van de samenleving, waar afkomst telt, veranderd in een samenleving waarin prestatie telt. De maatschappelijke druk om zich te conformeren aan tradities van ouders of gemeenschap is onvergelijkelijk veel kleiner dan in andere, premoderne samenlevingen. Mensen zijn sociaal, geografisch, politiek en in het huwelijk mobiel geworden. De samenleving is geïndividualiseerd. Een samenleving gecentreerd rond de markt lijkt vrijwel automatisch een sociaal geïndividualiseerde samenleving te worden. Kennelijk is er iets in de marktgewijze productie wat dit voor de hand liggend maakt." Pas in deze samenleving zijn de idealen van de Verlichting verwerkelijkt. Kennelijk behoeven deze een bepaalde maatschappelijk klimaat waarin ze kunnen floreren.
Volgens sociologen lopen individualisme en waardefragmentatie parallel aan het proces waarbij de normen in de verschillende sociale sectoren (economie, techniek, familie, etc.) autonomer worden. These three processes are different aspects of one and the same basic process of modernization". Door een groeiende "pool of choice alternatives" in de geglobaliseerde wereld vindt waardefragmentatie plaats. Uit een uitgebreid Europees waardenonderzoek blijkt dat het individualisme sterker wordt naarmate de welvaart toeneemt.
Liberalisme en relativisme
Ook al beweert het politieke liberalisme niet hetzelfde te zijn als het filosofisch liberalisme, is het moeilijk om deze twee te scheiden (hierover meer in het volgende hoofdstuk). Daarom is het nuttig om na bovenstaande bespreking van het politieke liberalisme kort in te gaan op het ethisch relativisme, omdat dit van grote invloed is geweest op het liberalisme.
In de twintigste eeuw zijn er filosofen geweest die hebben gewezen op de betrekkelijkheid van het westerse wereldbeeld. Elk individu, waar ook ter wereld, neemt onbewust de gewoonten en normen van zijn eigen cultuur over, zegt de antropoloog Herskovits. Hieruit concludeert hij dat elk oordeel op de ervaring berust en deze ervaring wordt door ieder individu in termen van zijn eigen cultuur geïnterpreteerd. Dat heeft als consequentie dat culturen alleen maar kunnen en mogen worden beoordeeld vanuit en door zichzelf. Universele oordelen zijn niet mogelijk, wederzijds respect is nodig. Dit ethische relativisme heeft enkele sterke kanten: het pluralisme, dat nadruk legt op de wenselijkheid van het naast elkaar bestaan van verschillende waardensystemen, levensstijlen en ideologieën. Dit is ontstaan uit een afkeer van een eenheidscultuur die men vreesde te zien ontstaan. Een tweede sympathiek punt is het tolerantiegebod.
Dit gedachtegoed sluit goed aan bij het postmodernisme van Richard Rorty, zoals omschreven in Hoofdstuk 2. Pluraliteit van overtuigingen is voor hem een gegeven, dat onmiskenbaar samenhangt met de toevalligheid die de grondslag is van elke cultuur. Toch is Rorty bijvoorbeeld voorstander van de verbreiding van de (westers georiënteerde) mensenrechten. Elke cultuur zou daarnaar moeten luisteren. Dit lijkt inconsequent met zijn idee van contingentie van moraal. Maar volgens Rorty is er nog iets belangrijk: alle mensen kunnen pijn en vernedering voelen, daarom moet de mens solidair met de ander zijn. Er blijft echter een spanningsveld tussen het relativisme van Rorty en zijn pleidooi voor het verbreiden van mensenrechten.
Ik ga hier niet in op het overbekende debat over de universaliteit van de mensenrechten. Ik wil enkel de ideeën van het relativisme onder de aandacht brengen, omdat ze een grote invloed hebben gehad op het liberalisme (ook al wordt in liberale kring erkend dat het consequent doorgevoerde, radicale relativisme tot morele en andere problemen leidt; daarom spreekt men liever van pluralisme). Het liberalisme, de modernistische politieke visie bij uitstek, is, zoals al gezegd, in grote mate veranderd met de rest van de cultuur mee. Onder invloed van pluralistische en relativistische ideeën is de wens nog sterker geworden om publiek en privaat van elkaar gescheiden te houden. Publiek terrein moet neutraal zijn, want normen en waarden die mensen privé hebben, kunnen nooit algemeen geldig zijn. Het ideaal van zelfverwerkelijking (ongeacht welke keuzes men maakt) is boven het ideaal gekomen van vrijheid om te ontworstelen aan beperkende traditionele visies en universele redelijke waarden te vinden.
Het opeisen van universele geldigheid van waarden en normen kan niet meer, maar dat houdt een pragmatische insteek niet tegen: als er eenmaal goede democratische structuren zijn gegroeid, dan moeten die natuurlijk in stand worden gehouden. Postmoderne liberalen zelf zeggen dat het op die manier niet een nihilistische en afbrekende beweging hoeft te worden. Tot zover het liberalisme, de critici komen in het volgende hoofdstuk aan het woord.